LIEFDE.
Liefde is het hoogste goed,
Aan de mens gegeven.
Liefde is: wat leven doet,
Van ontroering beven.

Liefde is alles. Liefde is God,
Maakt van armen: Rijken.
Zonder Liefde, wat was 't lot,
't Zou op niets gelijken.

Geest van Liefde, leid ons voort,
Doordring ons van Uw Wezen.
Dan wachten wij ook ongestoord,
't Einde zonder vrezen.

En zij 't leven kort of lang,
God's Liefde maakt geen sterven bang.

Ik zei je, dat wij de mensen dit heuglijke nieuws willen verkondigen, want zij, die uit het goede komen, geven liefde, geluk en vertrouwen. 23 m.
In alles is leiding; het toeval bestaat voor ons niet. Alles wordt bestuurd door de Hogere Leiding, die ons ook het spiritualisme bracht. Dit is een groot geloof en het geeft ons een nieuw vertrouwen en een nieuw geluk. 27 o.m.
Het jubelde in hem en het deed hem goed te kunnen denken: dood is niet dood; de doden leven. Wat is dat prachtig; welk een heerlijk vooruitzicht, dat men, na begraven te zijn, toch voort blijft leven in alle eeuwigheid. 28.m.
Dan zullen wij de mensen overtuigende bewijzen geven van het leven na de dood; dat, na afleggen van het stofkleed, het leven een voortbestaan heeft. Wij zullen de mensen brengen op deze mooie weg, opdat ze zich zullen ontwikkelen om straks, wanneer zij op Aarde sterven, het licht te zien in het Hiernamaals. 32 b.

 

Wij tezamen willen de mensen vertellen dat hun geliefden nog in leven zijn en dat ze zich met hen willen verbinden, omdat God het wil en omdat dit alles uit God is; ook dit weten. Wij willen de kloof tussen onze en Uw wereld overbruggen en de sluier opheffen, die de scheiding vormt tussen de Aarde en het Hiernamaals. En wanneer wij dan de werkelijkheid van dit alles aantonen, dan vragen wij je ons te volgen. Wij brengen je op de goede weg, die omhoog gaat en die je voeren zal naar de tempel van het zuivere weten. 32 b.m.
Wij willen hun geluk brengen en hun dat geven, wat hen geestelijk opbouwt, waardoor zij reeds nu, nu zij nog op aarde zijn, met het eeuwige leven verbonden worden, wat hun steun en kracht zal schenken. 32 m.

Dan zullen zij de strijd aandurven en dan is het leven ook niet meer zo doelloos. Dan zullen zij daarin Gods licht en in alles het goede, dat Hij ons geeft, zien; bovenal de liefde, Gods grootste schepping. Dan zullen zij alles, wat het ook zij, waarderen en naast het geluk ook het leed en de smart aanvaarden, omdat zij voelen zullen dat dit alles aan hun geestelijk peil ten goede zal komen. 32.o.
Verwacht niets; de mensen weten niet hoe dom en ondankbaar zij zijn. Blijf boven alles staan en trouw je werk doen. blz. 43 o
Gods wegen en wetten zijn voor de mens ondoorgrondelijk. Toch is alles eenvoudig, wanneer men één wil zijn in harmonie met God. Dit wil niet zeggen: persoon met God, maar ik doel, zó te leven, als Hij het al Zijn kinderen voorhoudt. 62 m.
Wanneer wij één willen zijn met God, dan voelen we, dat er contact bestaat, dat we Hem liefhebben. Zijn kind zijn, zoals het behoort. Wij moeten allen Gods kinderen zijn, die hunkeren naar wijsheid, kracht en liefde. Dan gaat de mens vooruit, dan straalt hij. 62 m.
De een misgunt de ander, hetgeen hij op eerlijke wijze heeft verdiend. Men is niet tevreden met een behoorlijke winst, maar tracht zoveel mogelijk bij elkaar te brengen ten koste van zijn zusters en broeders, die hij daardoor veel leed en smart bezorgt. 66 m.

Mor en klaag niet als je het ooit te zwaar wordt in het leven. Door strijd zal je wijzer en geestelijk groeien, want wanneer het nooit donker om je heen was, dan zou je het licht niet kunnen waarderen. 67 o
Buiten kwamen zij zo geheel in contacten en wanneer het hem thuis te benauwd werd, zond Alcar hem steeds in Gods heerlijk natuur.
74 b.
Het doet er niet toe welk geloof wordt beleden, wanneer wij God maar zoeken en het goede willen. Het behoeft geen paleis te zijn, waarin men God kan vinden; onthoud dat. Alle godsdiensten zijn één, in zoverre zij het willen. 75 b.
God, die Liefde is, straft nooit. God, die rechtvaardig is, heeft al Zijn kinderen lief en het is Zijn bedoeling, dat allen gelukkig worden, het goede doen en steeds hoger stijgen. 76 b.
Geef liefde, zoals tante het deed. Want de liefde, die God in de mensenharten legt, is het mooiste en het heiligste goed dat men verkrijgen kan. Vertrouw, vertrouw op Gods Heilige kracht, op Gods rechtvaardigheid en geloof dat elkeen in zijn leven krijgt wat God wil, op het ogenblik dat Hij dat wil. 78 m.

En al valt de scheiding lang, weet dan dat zij, die je liefhebben, je altijd nabij zijn, dat zij je steunen en helpen, waar dat mogelijk is.
79 b.
Wat zou het heerlijk in de wereld zijn wanneer alle mensen wisten; dan leefde de mens beter en werd niet verteerd door zijn lage hartstochten, die hij toch eens moet opgeven. De mensen zouden beter voor zichzelf, voor hun geestelijk peil zorgen. Nu werken zij elkaar tegen; de ene mens berokkent de ander leed en smart. 80 o.
laat U niet beïnvloeden door een geestelijke, die het zuivere geloof zelf niet bezit. Volgens Alcar is de geestelijkheid in haar eigen leer verdwaald en is het een koude leer geworden, die van alle warmte ontdaan is. Mooie woorden zijn het, zonder liefde. 80 o.
De kern van alle godsdiensten is dezelfde. Wanneer de mens maar het goede wil, wat doet het er dan toe, of hij Jood, Christen of Mohammedaan is? Al deze wegen leiden naar één doel: het Hiernamaals. De mensen zeggen: dan zullen wij zien, wie gelijk heeft, maar ik zeg hun, dat zij allen gelijk hebben, wanneer zij de rechte weg gevolgd en God in eenvoud en deemoed gezocht hebben. Wanneer de Christenen werkelijk de leer van Christus volgden, dan zouden zij liefdevoller handelen ten opzichte van hun medemensen. De leer, die men rondom het Grote Voorbeeld gemaakt heeft, is dood en hard; het is een vormendienst geworden. 84 b.

Wij GELOVEN niet, wij WETEN. Wij staan in verbinding met de Eeuwigheid, wij maken deel uit van het Heelal en blijven daarvan deel uitmaken, ook  als we niet meer ons aardse leven, leven. 84 m.
Vele geleerden die de geestelijke weg bewandelden, zijn in het leven na de dood diep ongelukkig, omdat hun leer van alle warmte en liefde ontdaan was. 86 o.
Christus zal niet op aarde terug komen, omdat Hij na al die honderden jaren nog niet wordt begrepen. Wanneer zij Zijn woorden begrijpen, dan eerst zullen de mensen handelen naar Zijn Geest en terugkeren tot Hem en tot God, van Wie zich in hun dwaling reeds zolang hebben afgekeerd. 87 m.
Mensen, mensen weest eindelijk eens Gods kinderen. Voelt, ondanks uw superioriteit, eindelijk eens, dat gij maar nietige stofjes zijt. Mens, neem de kroon van uw hoofd, die gij zelf daarop geplaatst hebt, buig u diep, en gun God een ogenblik van vertrouwen; dan eerst zult ge weten, hoe klein, hoe zielig klein gij eigenlijk zijt. 90 m.

Maar voor hem was dit werk heilig; hij vocht en duizenden met hem, voor de grote zaak: de mensen tot de overtuiging te brengen van de waarheid van een leven na de stoffelijke dood. 120 o.m.
Alles werd toch gedaan om hun bewijzen te geven, hen te overtuigen van een leven na de stoffelijke dood. Het spiritualisme en alles wat daarmee in verband staat, was voor hem een heilige zaak. Zij die achter de sluier werken zonder dank te verlangen, willen alles doen om de mensen het geluk te brengen en de waarheid. Moest men dan niet deemoedig knielen en alles in dankbaarheid aanvaarden? 123 o.m.
Zij denken, dat ze met hun aardse wijsheid het geestelijke kunnen begrijpen en dat is niet waar. Zij moesten op dit alles innerlijk zijn afgestemd; dan konden zij het aanvoelen, maar zij zijn te veel verstoffelijkt. Aardse wijsheid is geen geestelijke kracht en heeft daarmee niets te maken. Alsof we niet allen het zelfde zijn als God! Staat op aarde een koning geestelijk steeds hoger dan een timmerman? Neen immers. Toch is men dikwijls deze mening toegedaan. Hij had al zo vaak gezien dat zogenaamde grote mannen, die op aarde geleerden, zelfs godgeleerden waren en op seances doorkamen, diep, diep ongelukkig waren en vroegen om geholpen te worden. Eerst dan begrepen ze dat het spiritualisme iets mooi is. Daar stonden ze dan met al hun studie en al hun wijsheid, welke hen geestelijk niet verder hadden gebracht. Ze hadden er immers niet naar geleefd. 123 o.

Ze kwetsten nooit iemand en gaan altijd één weg, de weg der liefde Zij hebben alleen hun taak voor ogen: te werken voor het spiritualisme. De mensen begrijpen het maar half en ze willen er niet door leren, al krijgen ze nog zulke mooie lessen. Toch ontvangen zij deze voor hun bestwil, want daardoor moeten zij zich ontwikkelen. Het is niet voor sensatie, dat men in contact kan komen met degenen die op de aarde gestorven zijn. Dat is de bedoeling van de geestenwereld niet. De mensheid moet vooruit, omhoog, de weg naar God op. Maar, halverwege gekomen, kunnen de mensen niet verder en vallen terug tot daar waar het leven weer gemakkelijk voor hen wordt. 125 b.m.
Christus had zich voor de mensen gegeven. Steeds meer gaf Hij en toen Hij niet meer geven kon, sloegen ze Hem. Christus liet hen begaan en het werd steeds erger, want ze wilden nog meer. Ze moesten Zijn vlees en bloed hebben. En toen Hij aan het kruis werd vastgenageld, zag het volk pas het echte kind van God in Hem. Toen de wolken vaneen scheurden en Gods licht verscheen, zagen al die mensen, dat Hij de eenvoudige mens was, Die zich geheel had willen geven. 125 m.
Zij die de liefde kennen, zij zijn de gelukkigen. Zij die de liefde gekend hebben, zij leven daarin voort en zij die de liefde niet gekend hebben, zij zijn gelukkig, wanneer zij inwendig die grote kracht voelen, die grote, heilige kracht, de heiligheid van wat ze zouden kunnen geven. 127 o.

En wanneer God, in Zijn goedheid, u uw aardse leven deze liefde laat voelen, hebt dan vertrouwen, vrienden. Het is Gods wil, vergeet dat nooit, dat er zulke liefde heerst en dat er zulk een liefdeband bestaat. Zou het dan ooit Gods wil kunnen zijn dat zulk een band verbroken werd? Neen, zeg ik u. Weest dan vol vertrouwen op een leven van geheiligde liefde en laat het levensklokje met vertrouwen verder tikken. 128 b.m
Vertrouwt op God, vertrouwt op Gods liefde en gelooft in uw eigen liefde. 128 o.
Wij zijn bij u en willen u helpen. Zoekt ons niet te ver weg; wij zijn nabij. Zoekt ons niet in het graf; wij staan naast u en leven. 129 o.m.
Daar ziet ge het geloof, de hoop en de liefde en van de laatste zult ge het meeste zien; dat is de liefde en die is mooi. O, zij is zo mooi. Gelooft daarin en handelt daarnaar, want zonder het geloof in het hiernamaals, zonder de hoop op beter en zonder de liefde, die een band vormt, zou het leven troosteloos zijn. 130 m.

Als God u geloof, hoop en liefde schenkt, dan is dat meer dan een mens verdient. En wanneer men deze niet bezat, zou het leven dan wel te dragen zijn? Geloofde men niet in God, geloofde en vertrouwde men niet, dat Hij ons dat alles schenken zal, zou het leven hier op aarde dan niet diep en diep droevig zijn? 130 m.
Maar al neemt gij van dat alles slechts een heel klein deeltje tot u en al hebt ge ook maar een beetje geloof, een weinig hoop en een sprankje liefde, dan neemt en pakt u al iets van dat oneindig - heldere, van dat o zo mooie, van dat Goddelijke. En gij, mens moet zorgen, dat het groeit, dat het uitdijt, dat het krachtiger en mooier wordt; 130 o.
Strijd is goed vrienden, strijd zal u sterken, maar de strijd moet u tot het hogere, tot de drie-eenheid: Geloof, Hoop en liefde voeren. Ge moet strijden, totdat ge dit doel bereikt hebt. Eens zult ge overwinnen. Maar zolang ge u aan de moeilijkheden van de weg onttrekken wilt,  zal uw strijd steeds moeilijker worden en uw pad zwaarder. 131 m.
Uw weg is niet altijd gemakkelijk, maar met Gods hulp, met het geloof, de hoop en de liefde, die Hij in uw hart legt, zult ge in het licht komen. Vertrouwt daarop, vertrouwt daar altijd op. 131 o.

Een ieder moet zijn eigen strijd strijden en zijn eigen weg vinden. Maar niet alleen in je daden, maar ook in gedachten. 141 b.m.
Gij aardbewoners, die uw werk te verrichten hebt, gij die de weg naar het licht zoekt en de heilige wil om het goede te doen in u draagt, ik zeg u vanaf deze zijde, dat gij nog zo dikwijls dwaalt en zoekt en dat uw wegen nog vol kronkelingen zijn. Maar hoe zal de weg van degenen die het grote licht niet zoeken dan wel zijn? Zijn dat geen arme mensen? 141 m.
Maar zijn de menselijke gedachten wel altijd goed? Zit er niet in u allen een drang naar het kwade, naar het slechte? En is er, als ge zo’n gedachtebeeld gevormd, dus uitgezonden hebt, niet iets dat u van de verlichte weg naar het goede afvoert? 141 o
Wij, bewoners der geestenwereld, roepen u toe: gij allen, die op aarde leeft, weest niet alleen voorzichtig met uw daden, maar ook met uw gedachten. Want gedachten die ge uitzend, zijn als wolken zo groot en vooral je slechte gedachten; ze rollen als zwarte massa’s langs en over de aarde. Ze zijn ondoorzichtig en voelen koud, klam en vuil aan. 142 b.

En langzamerhand zullen alle donkere gedachten voor het goede wijken. Dit is dan uw strijd om het hogere te vinden. En al denkt gij vaak, dat ge het licht bezit, toch zeg ik u vanaf deze zijde, ge doolt en ge zoekt nog zo dikwijls. Vergeet dit nooit mijn zoon, want het is niet goed dat er zwarte gedachten zijn en daarmede bedoel ik niet alleen gedachten die onrein en slecht in je ogen zijn, maar ook die van hovaardij, van ijdelheid en waan. De gedachten van het godmensje. De drang om sensatie te geven, de drang om iets te willen zijn, wat je toch niet bent. 142 m.
O, mensenkind, wanneer binnen in u duisternis heerst, vouw dan de handen en bedenk dat ge in deze duisternis de weg naar God moeilijk zult kunnen vinden. Vouw de handen, buig het hoofd, dank Hem voor Zijn gaven, bid dat Hij u, door de donkere wolken heen, de weg naar het licht moge wijzen en dat dit, nog tijdens uw aardse leven, van u moge uitstralen, omdat de wereld het zo nodig heeft. Ook wij zullen u dan in alles helpen; vergeet dat nooit. 143 b.
Bid God om hulp en zeg dat je morgen beter wilt zijn dan heden. Verheerlijk jezelf niet, maar schat je ook niet te laag. 143 o.

De liefde is het heiligste dat God ons heeft geschonken. Zijn schepping is daar geheel van doordrongen. Zij is het hoogste, dat Hij in alles heeft gelegd; de Goddelijke vonk: het begin der volmaking. 153 o.
De rijke mens moet een sterke wil bezitten, om weerstand te kunnen bieden aan zijn stoffelijk bezit, opdat hij de macht erover zal behouden en niet de stof macht over hem zal verkrijgen. 157 o.m.
De mens draagt de mogelijkheid tot geestelijke kracht, tot rijpheid in zichzelf en wanneer hij die bezit, zal dat naar buiten blijken. 157 o.
Laat God uw kranke ziel zien; Hij alleen kent uw hartzeer en voelt uw pijn. Vraag Hem om steun, die u gegeven zal worden in licht en in liefde, in kracht en geluk. Eens zal dit licht u omstralen en ge zult u één gevoelen met Hem. Dan zult ge gelukkig zijn en reine liefde bezitten. Neem uw last op; wij roepen u toe: o, mens, durf te leven. 161 o.
Hem is voorgehouden anders te leven. Dit gebeurt ons allen tijdens ons aardse leven; dan worden wij wakker geschud door Gods wil. Zo wordt de mens gewaarschuwd, maar hij voelt dit veelal niet. 164 m.

De mens is zelf de schepper van zijn eigen lot. 164 m.De mens moet niet denken, dat God Zelf voor zijn ogen zal verschijnen, maar Hij laat ons voelen, dat wij een Goddelijke vonk bezitten om één te kunnen zijn met Hem. Wij zijn verantwoordelijk voor onze daden en – volgens de wet van oorzaak en gevolg – zullen wij maaien wat we gezaaid hebben. 164o.Wanneer deze mens op de hoogte was geweest van een leven na het aardse leven, dan zou hij in zijn laatste wilsbeschikking bepaald hebben, dat zijn stoffelijk overschot volgens Gods eeuwige wetten aan de schoot van moeder aarde zou moeten worden toevertrouwd. Volgens deze eeuwige wetten wordt de mens uit stof geboren en zal hij tot stof wederkeren, maar het is niet de bedoeling dat dit gewelddadig geschiedt, doch langzaam, geleidelijk, volgens de natuurlijke weg. 165 m
De mens die zich geestelijk wil verrijken, zal veel ontvangen. Maar er zijn maar enkelen op aarde die zich met deze studie bezighouden en door het Goddelijke in zich, door hun Goddelijke afstemming leren zich geestelijk op te bouwen. 166 m.
De mens vraagt om waarheid en wijsheid, maar hij vergeet dat deze hem niet gegeven kunnen worden, zolang hij de verkeerde weg niet verlaat. 166 o.m.Want een geestelijke wind draagt de waarheid in alle eeuwigheid met zich mee. Eens zult ge haar tegenhouden en de schatten welke zij meevoert, in ontvangst nemen. Neem dan in de eerste plaats het weten tot u en leg uw onwetendheid terzijde. Dan zult ge verder kunnen komen, steeds verder, totdat alle verkeerde daden herzien zijn en veranderd in betere, welke de waarheid in zich dragen. 168 o.

Vergeet niet dat daar [land van haat] niet het geringste spoor van liefde te vinden is. Het is niet gemakkelijk om daar te werken. Alleen degenen, die sterk staan, die een sterke geestelijke kracht en een sterke wil bezitten en zich overal oriënteren en concentreren kunnen, zijn daartoe in staat. Zij moeten in alle opzichten boven deze geesten staan en dat zegt veel, zeer veel, daar het kwaad listig te werk gaat. 174 o.
Daar moeten zij leren en eerst wanneer zij dit willen, laat men hun zien wat zij op aarde misdreven hebben. Dit weet men hier van een ieder. Daarna komt de wroeging, welke ieder mens, vroeg of laat, zal voelen. 177 o.
Zij mogen en kunnen dan naar de aarde terugkeren en zullen, gedurende het nieuwe aardse leven, al het leed en al de smart, welke zij veroorzaakt hebben, weer goed kunnen maken. De drang om goed te doen dragen zij onbewust in zich, omdat zij aan onze zijde in die verhoogde toestand zijn gekomen en daarvoor gestreden hebben, al kleven hun nog vele fouten aan. Dit is een grote genade voor hen, wanneer er een heilig verlangen in hen gekomen is, om goed te mogen maken, wat zij misdreven hebben. 178 b.
Ik zeg u, de ene mens verdrukt de andere, maar in het leven na dit leven zal men voor de enige Rechterstoel verschijnen en dan zal blijken wat men een ander misdaan heeft. Wee de mensen, die een ander opzettelijk leed veroorzaakt. Er zijn op de aarde weinigen die hiermee rekening houden. 178 0

Eenvoud en deemoed in alles; dat betekent kracht en liefde. O het is zo nodig dat de mens dit weet. Hoe wordt er gezondigd en hoe wordt  er geleefd! De geestelijke warmte wordt op aarde niet gevoeld, dat men stoffelijk aanvoelt en stoffelijk ziet. 179 m.
Hoe groot is Gods Almacht, dat Hij de zieletoestand kent van al Zijn miljoenen kinderen’. Dit is zeer goed opgemerkt, André. God weet alles, God ziet alles, God is in alles. Daarom is Hij ook almachtig en kent ieders zieletoestand. 180 m.
Vroeger heb je al eens verteld, dat men – alleen door aan seances deel te nemen – geen geestelijk wezen kan worden. Men moet zich geestelijk ontwikkelen. Voor sensatie wordt al dat werk niet gedaan en het geestelijk voedsel niet gegeven. Dit moet dienen om de mens te verrijken. Hij moet trachten door middel van deze waarheid God te vinden en alles lief te hebben wat door Hem geschapen is. 181 m.
God is in alles. Daarom kent Hij elke zieletoestand. God is alomtegenwoordig, zowel in de hoogste hemelen als op de aarde en in de duistere sferen. 182 b.
Overal wordt door ons voor de grote zaak gewerkt en duizenden gaan reizen ondernemen, zoals wij. Maar het is zo jammer dat velen van ons instrument verliezen, omdat het de strijd niet aandurft, welke hiervoor gestreden moet worden. Wij verlangen gehoorzaamheid, eenvoud des harten en – bovenal – liefde voor God van onze instrumenten. 188 b.

Als de mensen dit [lijden aan gene zijde] eens konden zien en zelf beleven, dan zouden zij wel een andere levensopvatting krijgen en er zou heel wat minder nijd en afgunst op de wereld zijn. Dan zouden zij zich beter leren schikken in de omstandigheden waarin de grote Leider van ons bestaan hen plaatste. Dan zou men ook leren beseffen, dat rijkdom evengoed reden van bestaan heeft als armoede en dat aanzien en rijkdom zware plichten opleggen. Een ieder zou dan op aarde zijn taak vervullen als onderdeel van Gods grote schepping. 191 o.
U ziet, mevrouw, dat u haar door uw hevig verdriet naar de aarde teruggetrokken heeft. Wel een bewijs, dat wij hen die in het hiernamaals leven, door ons verdriet en ons verlangen naar ons toe trekken. Hieraan kan men zien, welk een kracht er van de menselijke gedachten uitgaat. Wij weten zelf niet hoeveel er van ons uitgaat en daarom zegt mijn leider vaak: André, wees voorzichtig met je gedachten.’ 196 m.
Hij sprak  zichzelf moed in, want hij moest er doorheen. Hij voelde wel dat het een grote ontwikkeling voor hem zou betekenen, wanneer zijn geest dit alles kon uithouden. En hij wist het: niets voor niets, ook geen wijsheid. Alles kost wilskracht. 197 m.
De laatste dagen zijn zwaar voor je geweest, want je moest veel verwerken. Bij mij zal je nu spoedig tot kalmte komen. Wij, aan onze zijde, kunnen zulk een leed beter dragen; voor een aardse geest is dat moeilijk. Je ziet nu weer, hoe voorzichtig wij moeten zijn. 198 b.m.

Wat is het heerlijk dat God ons deze band liet vormen. Je ziet dat er voor elk zwaar werk steun en voedsel in de sferen is. Wie ernstig wil en wie durft te strijden, wordt wijzer en kan leren, zoveel hij maar wil. Dit geldt voor iedere mens op aarde. 198 m.
Het zomerland, André, is de sfeer die met de aarde in verbinding staat; zij ligt tussen de derde en de vierde gelukkige sfeer in. Het zomerland is de sfeer, waar de aardse geest ‘nachts, na uittreding, vertoeven mag, wanneer hem dit als een genade Gods veroorloofd is. In het zomerland ontmoet hij dan de dierbaren die zijn voorgegaan, doet er nieuwe krachten op en keert dan, sterker van geest, in zijn stoffelijk lichaam terug.’ 198 o.
In het zomerland heersen liefde, harmonie en geluk. 199 m.
Eerst wanneer twee zielen zich deemoedig tot elkander buigen, zal naast de menselijke hartstocht ook de reine liefde ontstaan, welke God slechts eenmaal in ’s mensen hart legt. 203 m.
De aardse liefde is over het algemeen niet meer dan vriendschap. Wat in de sferen wordt gevoeld is liefde, die ineensmelt: één voelen, één leven, één begrijpen. Deze liefde is eeuwig en de zielen zijn door God verbonden. Op aarde is het meestal heel anders. Daar gaan mensen als man en vrouw door het leven; en beschouwen zij dat leven niet als een weg die naar God voert, maar als een weg van aardse genoegens. 203 o.m.

Hebt elkander lief met heilige, reine liefde. Weest elkander tot steun en troost, vertrouwt elkander en volgt de weg, welke met de bloemen Uwer liefde bestrooid is. Dat is Gods wil en de geesten zullen juichen, wanneer zulk een gelukkig mensenpaar, hand in hand, in het zomerland zien komen. 204 m.
Volgens de Goddelijke wetten zal men oogsten, wat men gezaaid heeft. Ook daarop kan je je medemensen niet genoeg wijzen. En druk hun daarbij steeds op het hart, dat maatschappelijke stand en positie met dit alles niets te maken hebben. Men kan in een hutje op de heide geboren zijn en zich toch – reeds op aarde – een landgoed in de sferen bouwen. 205 m.
De natuur zingt hier haar lied en alles ademt rust en vrede. Hier voelt men, hoe lief God de mens heeft en hoe oneindig goed Hij voor hem is. 205 o.m.
O Alcar, wanneer de mensen op aarde dit mochten zien, dan zouden zij wel gaan leven, zoals God het wil’. Zeer zeker, mijn zoon, maar zij moeten, zonder dit alles te zien, zover komen, omdat in ieder mens de Goddelijke vonk aanwezig is, welke hem het onderscheid tussen goed en kwaad laat aanvoelen. 206 b.
Wat was Alcar toch goed. Niets dan liefde gaf hij hem. Voor hem zou hij door het vuur gaan. Alcar dacht nooit aan zich zelf, altijd aan anderen. Nooit bracht hij zichzelf op de voorgrond, steeds liet hij zich door liefde kennen en deed alles voor anderen. 207 o.

O André, die eerste ogenblikken na het ontwaken in de sferen! Toen ik wakker werd en al dat schone zag, toen alles mij tegenlachte en ik wist dat mijn leven op aarde niet voor niets geleefd was, toen knielde ik neer om God te danken. 208 m.
Wees sterk en blijf volharden in het goede. Dit zal je geestelijk geluk schenken. 209 b.m.
Ja, ik ontwaakte in mijn eigen huis André. Die eerste ogenblikken na mijn geboorte in het hiernamaals zijn voor eeuwig in mijn ziel gegrift. Ze zijn niet met woorden te beschrijven. Toen ik wakker werd en al dat schone om mij heen zag en ik al die bloemen, in duizenden kleuren, toen ik in alles het eeuwige leven zag en voelde, toen deed ik niets dan schreien, steeds maar schreien van geluk, omdat ik voelde dat dit mijn eigen bezit was, waar ik van de aarde was heengebracht. En ik dankte God en smeekte Hem alle geesten dit grote geluk te schenken. 209 m
In de hogere gebieden handelt men direct. Dit houdt verband met orde en harmonie. Men talmt daar dus niet na een genomen besluit. 210 m.
Gaarne had ik er [in het zomerhand] willen blijven, maar ik voel wel dat dit nog niet mag. Maar ik zal op aarde zoveel liefde aan de mensen geven als mij maar mogelijk is, opdat ik later in deze heilige sfeer zal mogen leven. Daar zal ik voor werken, Alcar.’ 211 m.
Niets van wat men op aarde bezit – al waren het werelddelen – kan vergeleken worden met het schone, dat de geesten bezitten die in het zomerland of in andere gelukkige sferen leven. 211 m.

Doe je werk, met liefde voor God en je naasten, dan zal je van alles de waarde en het nut zien en weten hoe je het leven op aarde moet volbrengen. Blijf boven alles staan wat stoffelijk is, want je weet, wat je na je overgang wacht. 211 m.
De aardse mens wil zich geen beeld van zichzelf vormen en toch moet het daartoe komen. Dan eerst begint hij aan zijn geestelijk peil te werken. Wij willen hem helpen. Daarvoor komen wij naar de aarde. Wij willen zijn ziel openen, opdat hij dit zelf aanvoele. 211 o.m.
Maar alle dromen zijn geen fantasieën, zoals je bemerkt. Wanneer de mens dit weet en hij is ’s morgens geheel vervuld van gedachten aan degenen die hij verloren heeft, dan zal zijn diepe smart aanmerkelijk verzacht worden en kan hij er zeker van zijn, dat hij ’s nachts in de sferen geweest is. Zijn zielepijn zal dan in een stil verlangen veranderen. Wat zijn geest in het hiernamaals bewust doorleefde, draagt hij, na zijn terugkomst op aarde, steeds met zich mee en is dan van veel leed bevrijd door het bovenstaande geluk, dat hem geschonken werd, al is hij zich in de meeste gevallen daarvan niet bewust. Daarom zal hij deze heilige waarheid niet gemakkelijk aanvaarden. De stoffelijke mens kan zich moeilijk in geestelijke toestanden verplaatsen. 213 m.

Alle geestelijke waarheden spruiten uit de bron van eenvoud voort, mijn jongen. Alles wat God geschapen heeft, kenmerkt zich door eenvoud. Alles is eenvoudig, wanneer het door geestelijke ogen bezien wordt. Maar de mens doet, ziet en vergelijkt alles stoffelijk en zal door de stof belemmerd worden. Doch in zijn diepste ligt de heilige Godsvonk – welke niemand hem ontnemen kan – waarmee hij op God is afgestemd en waardoor hij alles toetsen, doorzien en aanvoelen moet. 213 o.m.
De geestelijke afstemming ligt in ’s mensen ziel verborgen, maar dit gevoel zal eens naar boven komen, zich ontwikkelen en grote kracht bezitten. Dan zal de mens stralen, dan zal hij liefde geven en Gods geboden opvolgen. Dan zal hij niet meer met het kwaad te kampen hebben. 214 m.
In Zijn onuitsprekende liefde voor al Zijn kinderen heeft Hij ons, ontlichaamde geesten, toegestaan de mens in alles te helpen, wat hem en ons geestelijk zal doen stijgen. 214 o.
Uw doden leven aan onze zijde, in het land van eeuwige liefde en eeuwige vrede. Gij moet hen niet tegenhouden in hun evolutie naar de hogere sferen, want die zijn niet bereikbaar, wanneer zij steeds naar de aarde worden getrokken door de achtergeblevenen, die hen steeds blijven betreuren. Daarom moet gij aan hen denken als aan dierbaren, die gij weliswaar verloren hebt, maar die gij later weer terug zult zien. 216 b.

 

GODSVERLANGEN.
Eén en ondeelbaar, groot is God,
In Hem berust ons aller lot.
Hij is in Liefde om ons heen,
Wie Hem niet kent, is wel alleen.

Groot is het Licht, dan van Hem straalt,
En op de mensen neerdaalt;
Op ieder, tot op 't kleinste wicht,
Houdt brandende dat heerlijk Licht.

En als 't tot vlam wordt in uw leven,
Dan is er bij het eind' geen beven.
Dan wordt uw geest met groot verlangen,
Hiernamaals blij door God ontvangen.

Leeft allen broeders die dit leest,
Om één te worden met God's Geest.
220.

Ontwaakt, gij die slaapt en staat op uit de dood’ roept ons aller Meester u toe, want door geestelijk te slapen gaan op aarde zo onnoemelijk veel mensenlevens verloren, worden voor niets geleefd. Ontwaakt dus en denkt aan uw eeuwig geluk, uw eeuwig heil. De stoffelijke dood is de overgang naar de geestelijke wereld, het geboren worden in de sferen van het hiernamaals. Opent uw ogen en ziet. 227 b.m.
Uw tijd is kostbaar, want spoedig komt uw einde voor deze aarde en dan staart ge blind, geestelijk blind in de eeuwigheid, in het eeuwige leven. 227 m.
Onbewust draagt de mens een grote kracht in zich, welke alleen in abnormale toestanden naar boven komt. 228 b.
De tijd zal evenwel komen, dat de wetenschap zich tot de natuur zal wenden, om aan haar al deze genezende krachten te onttrekken. Er zijn nog zo vele krachten in de kosmos verborgen, welke, zoals ik je reeds eerder vertelde, de mens gegeven zullen worden, wanneer de wetenschap zich eenmaal tot het eeuwige rijk der geesten zal willen wenden. 228 o.
Maar hoe groter de bewijzen worden, welke de mensheid van onze zijde ontvangt, des te minder gelooft men, omdat deze fysische verschijnselen niet menselijk meer zijn en daardoor onbegrijpelijk. Zodoende wordt op de aarde alles sensatie, daar alles aards is.
231 b.m.
Ons werk zal dus zijn: mensenkinderen te helpen, die geholpen willen worden. Dezen zullen dan voedsel ontvangen voor hun ziel, hun eeuwig lichaam. 232 b.

Wanneer zij [de mensen op aarde] maar een weinige van het geluk kenden, dat wij bezitten, dat wij in ons dragen, dan zouden zij reeds gelukkig en dan zou er vrede op aarde zijn. Wisten zij maar, schone bloem, dat liefde kracht is en leven betekent; dat liefde zeeën kan doen opdrogen. 242 m.
Konden de mensen op aarde maar meer vertrouwen hebben, dan zouden zij sterk staan in hun strijd. 242 m.
Wisten de mensen op aarde maar, dat – door zelfvertrouwen – zij wonderen tot stand zouden kunnen brengen; dat – door zelfvertrouwen – hun liefde zou groeien, bloeien en schoon zijn. Zelfvertrouwen is de kracht in alle leven. Zelfvertrouwen is die heilige kracht, welke God leven noemt. Het zelfvertrouwen verbindt de mens met God. Waarom twijfelt de mens aan een eeuwig leven? Omdat hij, schone bloem, zijn eeuwig leven niet voelt, niet begrijpt; omdat hij er zich niet van bewust is. Het is nog zijn onbewust bezit. 242 m.
De mens op aarde kent onze rust niet, omdat hij in disharmonie leeft en geen harmonie voelt, omdat zijn leven disharmonisch is, daar hij in disharmonie is met zijn hemelse vader. 242 o.
Hij die alles in liefde wil ontvangen, zal onuitputtelijk zijn, omdat liefde God is en God onuitputtelijk is. 243 o.
Wees er echter steeds voor op je hoede, dat je geen speelbal wordt van je gevoel en vooral ook, dat je niet meent het beter te weten dan wij, want dat zou eigenwaan betekenen, waarvoor wij je nooit te veel kunnen waarschuwen. Laat je niet meer verkeerd beïnvloeden; denk daaraan. Ongeloof is het gif waarmee het mensdom besmet is. 244 m.

Acht je niet te hoog, maar vooral ook niet te laag, want hoe zou je je dan van je eigen kracht bewust kunnen zijn en anderen overtuigen van ons weten? En toon ook dat er liefde van je uitgaat, want liefde doet wonderen. 244 o.m.
Wij kunnen de mensen met alles helpen, zei Alcar, en in geval van ernstige ziekte zal geen minuut te lang worden gewacht, wanneer mocht blijken, dat aardse medische hulp ingeroepen moet worden. 245 o.
Leerde hij [de mens] maar begrijpen, dat de ‘doden’ leven. Wij roepen hem uit het hiernamaals toe: wij leven aan onze zijde in groot geluk. Wij leven in eeuwige, reine liefde; een liefde, zoals geen mens op aarde die kent, noch voelt. Het eeuwige leven is niet te vernietigen, maar eerst na de stoffelijke dood kan het zich geheel in de geest ontplooien. 247 b.
Wanneer echter het ogenblik daar is, waarop God hem roept en de zogenaamde dood intreedt, dan moet de mens slechts zijn stofkleed afleggen, zoals hij zo dikwijls een al of niet versleten kledingstuk aflegt. Dan werpt de geest zijn kluister af, om naar onbekende gebieden op te kunnen stijgen, steeds hoger, al maar hoger. 247 b.m.
Mens der aarde, aanvaard het licht, omdat dit licht God is. Wij binden u de reddingsgordel des geestes om. Weet dat geen stormen op de levenszee u vernietigen kunnen. Drijvende zult ge blijven, omdat het eeuwige leven u drijvende houdt. In u ligt de heilige godsvonk, de reddende kracht, waardoor ge op Hem zijt afgestemd. 247 o.m.

En daarom roep ik hun allen toe: nu is het tijd, nu zijt ge nog in uw aardse lichaam, in het bezit van uw aardse leven. Redt, vrienden, wat er te redden valt. Redt echter geen stof, doch redt de geest en loutert uw ziel. Dan zal een leven van eeuwige liefde, van eeuwig geluk u wachten in Gods Vaderhuis, wanneer uw aardse pelgrimsreis ten einde zal zijn. 247 o.
Wij zoeken onze instrumenten in het algemeen onder degenen die geen studie hebben volbracht, want indien dit wel het geval ware, zouden zij onhandelbaar kunnen worden en het beter willen weten dan wij. Hun aardse geleerdheid zou dan met ons weten in botsing komen, daar deze niet in de geest is ontwikkeld en dus geen wijsheid is. 254 b.
De waarlijk eenvoudigen van geest zijn het, die ons voor onze heilige taak het beste dienen, omdat wij naast, in en door hen kunnen werken. Aanvaardt onze instrumenten dus, gij mannen der wetenschap, want zij zijn de trechters waardoor wij u kunnen bereiken. Onderzoekt degenen door wie zij spreken. Toets hen zoveel gij wilt, maar aanvaardt hen, wanneer zij in liefde tot u komen. 254 b.m.
Vrienden, straks komt ook uw tijd. Het kan nog lang, maar het kan ook nog maar heel kort duren. Wanneer God u roept, moet gij komen. Zorgt dus, dat gij gereed zijt en beveelt uw geest  in Zijn handen. 254 o.

Je geeft dus van je eigen levenskracht je goud aan anderen, mijn jongen, wat je zou kunnen vergelijken met bloedtransfusie. De mensen moesten kunnen beseffen, dat je hun je geestelijk bloed geeft, dan zouden zij niet zo luchtig over dit alles denken. Wees er zuinig op, want het is kostbaar en moet naar waarde worden geschat,  hoewel elk verlies aan levenskracht uit het kosmische wordt  aangevuld, al naar mate van de kracht er liefde welke in je is. 259 o.
Het gevoelslichaam is daarom het essentiële. Dat heeft de mens te ontwikkelen om in een hogere bestaanstoestand over te gaan. 271 m.
Veel liefde te bezitten, is wijsheid in de geest. Dit is voor jou, André! Wanneer je deze kracht niet zou bezitten, was het niet mogelijk voor mij, je dit alles te tonen. Liefde is weten, niets dan geluk in het leven na de dood. Geen wezen zal een hogere sfeer kunnen binnentreden, dat geen liefde kent. 273 m.
Voor de mens, die stoffelijk voelt, zal het ongelooflijk zijn, doch de geest beweegt zich door de kracht van zijn gedachten. Op aarde moet de mens eerst denken, voordat hij handelend kan optreden. Aan onze zijde handelen wij direct, wanneer wij onze concentratie instellen. 274 m.

Wij kunnen ons verbinden met en afstemmen op alles, naar de krachten die in ons zijn, wat de liefde is. Met alles wat leeft, kunnen wij ons verbinden. Wij zijn leven en kunnen één zijn met alle leven, met God, omdat God leven betekent. 275 m.
Onze tijd is kostbaar. Jouw leven daar, zul je nuttig gebruiken. Laat geen uur voorbij gaan. Laat anderen van het leven maken wat zij zelf willen en laat je niet meesleuren op hun duistere paden, waardoor hun leven is verknoeid. Luister niet naar hun ingebeelde wijsheid, die zij uit boeken halen en waarnaar zij niet leven. Voel hen aan en weet je krachten te gebruiken. Ga geen duimbreed af van de ingeslagen weg…. 276 m.
Almachtige Vader. Wij vragen U om kracht en steun, om ons geloof en vertrouwen in U te sterken. Grote Vader. Er is een heilig verlangen in ons om de mens te mogen overtuigen van een eeuwig voortleven. Wij kunnen het alleen door Uw kracht, door Uw genade en wij vragen U om ons te helpen. Wij vragen U om licht en liefde, om Uw bescherming. Maakt van ons eenvoudige instrumenten. Legt in ons Uw heilige kracht, Uw weten, en leidt ons om Uw weg te mogen blijven bewandelen. Alleen door Uw kracht zullen zij zeeën bevaren, stormen kunnen weerstaan door Uw machtige kracht die ons is, omdat wij Uw leven dragen, ja Uw leven zijn betekenen. Vader, steun ons op deze tocht. Amen. 277 m’.
De mensen op aarde waren voor een geest een open boek. Hier wist men alles van hen af, omdat hun zielen waren geopend. En de mens was zich onbewust van dit gebeuren. Hieraan zag hij dat een aards mens nooit alleen is. Hij kon zich nergens voor verbergen. 178 o.

De geest moet de uitgezonden gedachten kunnen tegenhouden, met andere woorden, hun gedachten kunnen overheersen. Wanneer dit voor hem niet mogelijk is, komt door wat enige van de aanzittenden denken. 280 m.
Een meester uit de eerste geestelijke sfeer weet van  ieder wezen, dat de Aarde verlaat, wanneer en hoe het zal overgaan. Geen seconde te vroeg of te laat komt de mens naar deze zijde. Het is Gods heilige wil, waaraan niets te veranderen is. 286 o.
Laat de mens op aarde zijn innerlijk leven niet vergeten. Hoe spoedig kan het einde komen. Dan is er bezit nodig, de liefde om aan deze zijde licht en geluk te bezitten. Wanneer men op aarde denkt lang te zullen leven, is het einde nabij. Houdt uw licht brandende, mens op aarde; God roept u onverwachts. Hoe spoedig is uw aards licht niet gedoofd en dan zal uw geestelijk licht uw geluk betekenen aan deze zijde. 288 m.
Thans is het nog tijd. Nog bent u in het bezit van uw aardse leven. Redt vrienden, wat er te redden is, doch redt geen stof, redt u zelf, redt uw innerlijk leven om aan deze zijde licht te bezitten, wat uw eeuwig leven betekent. 288 o.m.
God bestuurde alles, kende iedere zieleafstemming. Voor ieder wezen was er hulp. Liefdezusters en –broeders, door hen werden zij gehaald. Alles was liefde wat hij aan deze zijde leerde kennen. Wat was de mens op aarde dan zielig, vergeleken bij hen die aan deze zijde leefden. Wat was aardse geleerdheid bij alles wat God betekende? Wat is rijkdom op aarde in vergelijk met de wijsheid? Hoe groot was dit leven. 290 m.

Het duizelde hem wanneer hij aan diens hoogte dacht. Veel strijd zou het hem kosten om zo ver te komen. Toch wilde hij de ingeslagen weg vervolgen. Nu toonde Alcar dat het alleen deze weg was, die de mens te volgen had. Liefde te leren geven, dat was de weg. Hoe eenvoudig was het en toch – hoe verschrikkelijk moeilijk. 290 o.
André zag dat de geest lange passen over het stofkleed maakte. Zijn levenskrachten stroomden de stofmens binnen; geestelijke uitstraling, liefdekracht aan de mens op aarde gegeven. 296 b.
De geest legde zijn stralende handen op het hoofd van de zieke. Al zijn liefdekrachten gaf hij aan zijn jongen. Groots was het om dit als mens te mogen beleven. Het was de liefde van een vader voor zijn kind. O, hoe schoon was het. Hoe machtig was liefde. Zij waanden hem dood, maar de dode redde het leven van zijn kind. De dood voedde het leven. 296 m.
Zij zag Alcar aan met haar stralende ogen, waarin liefde lag, niets van geluk. In die blik lag het eeuwige begrijpen, dat de liefde was, die beiden voelden. Allen waren geesteskinderen. Mensen, die begrepen in één oogopslag, in één blik, waarin alles lag. Sferen waren één, waar zij ook leefden. Wie liefde voelde, begreep deze stille kracht. 298 b.

Waar dan ook, André, zich de mens bevindt, daar is geestelijke hulp. Daar zijn geestelijke wezens om hun geliefden te helpen, wat je duidelijk wordt, doordat ik je al deze toestanden laat beleven. Er is geen ziekte of er zijn geestelijke wezens om hem heen, die zijn pijnen verzachten. Er zijn meer wezens van onze zijde op aarde dan stoffelijke wezens.’ 299 m.
Reeds eerder heb ik je duidelijk gemaakt, dat je het leed en smart van de gehele wereld niet kunt dragen. Thans bevindt zich mijn zoon in eenzelfde toestand. Het is droevig, maar wat je voelt is medelijden en medelijden is zelfvernietiging. Ook straks zal je dat duidelijk worden. Voel liefde en blijf in je eigen toestand, dan eerst zul je handelend kunnen optreden. 303 o
Daarom is ons spiritualisme heilig. Op alle hoeken van de aarde wordt geestelijk voedsel uitgestort, opdat de mens zijn leven zal veranderen. Hier wacht hem geluk, niets dan geluk, wanneer hij zich innerlijk ontwikkelt. 304 b.m.
De mensen leven hier in een donkere poel van harttochten en geweld en zullen eerst dan boven komen, wanneer zij zich innerlijk daarvan hebben vrij gemaakt, hetgeen de ontwikkeling van hun liefde betekent. 305 o.
God kent al Zijn kinderen, geen kind Gods wordt gestraft.’ ‘Wat zegt u? Geen kind Gods wordt gestraft?’ ’Klinkt dat zo ongeloofwaardig? De mens doet het zelf, zelf wil hij dat.’ 315 b.

Medelijden voelen, is zich met een ander wezen te verbinden. Verbinden is overgaan in een ander leven. Wanneer je met dat leven blijft treuren, zal je met dat leven ten onder gaan. Medelijden is zwakte, niets dan zwakte. Medelijden betekent geleefd worden door anderen. Liefde voelen is de weg volgen, die God ons allen aantoont. 317 m.
Ik leefde hier niet, André; doch ik vertoefde vele jaren hier beneden, om anderen te helpen. Ik aanvaard dat wij allen, wie dan ook, in deze toestanden hebben geleefd. Door te evolueren bevinden wij ons in een andere afstemming. Doch de weg die wij hebben afgelegd, zal door de duisternis naar het licht voeren. De spreuk luidt: ‘Zij, die de duisternis niet hebben gezien zullen het licht niet waarderen.’
321 o.
Wanneer hij ontwaakt, begint eerst zijn leven aan deze zijde en voelt hij de pijnen door de crematie opgedaan. Behalve dus de kwellingen van koude en duisternis, voelt hij de schrijnende pijnen, door de crematie hem opgelegd. In een stoffelijk gevoelstoestand of afstemming is zijn lichaam verbrand. Geestelijk heeft hij zich vergeten in het leven op aarde. Men wil dit op aarde niet aanvaarden. Zijn gevoelslichaam was of verkeerde in een stoffelijke afstemming. Hij zal daardoor in de geest ook alles beleven, omdat hij niet van zijn lichaam was bevrijd. De crematie bracht hem in deze toestand, omdat de schok te groot was voor zijn geestelijke afstemming. Wanneer hij op normale wijze zou zijn begraven, beleefde hij de vertering van zijn stoffelijk kleed. Maar deze toestand is verre te verkiezen boven crematie en wel hierom: de mens, die wordt verbrand, worden krachten ontnomen, die wij de levensaura noemen. Zij dient de geest te steunen bij aankomst hier, voor de eerste tijd van zijn leven. Dit geldt voor alle wezens, al bevinden zij zich op een hogere afstemming. De scheidende geest ontneemt aan het stoflichaam de levensaura, na vijf à zeven dagen, wanneer de stof in het eerste stadium van ontbinding overgaat. Dit kan ook langer duren, het hangt af van de afstemming van de mens die overgaat. De aura dient dus voor de bewustwording aan deze zijde. 322 m.

Wanneer gij alles hebt gevolgd, maakt dan een einde aan uw roekeloosheid en tracht u in de geest te ontwikkelen. Nog is het tijd. Spoedig zult gij overgaan en dan heeft alleen waarde, wat  gij innerlijk draagt. Ontwikkel uw gevoel en maakt goed wat gij verkeerd hebt gedaan. Wij die aan deze zijde leven, wij allen die de aarde hebben verlaten en enige honderden jaren hier zijn, hebben deze waarheid moeten aanvaarden. Wij hebben geleerd, dat liefde het hoogste en het heiligste is en licht en geluk betekent in het leven na de dood. Hier vrienden, kunt gij u niet verbergen. Hier alleen heeft liefde waarde. Ontwikkelt die kracht, uw leven, leer lief te hebben. Leer onze taal, de taal der liefde, die liefde, die gij bij aankomst hier zult moeten verstaan, anders zal duisternis uw bezit zijn’. 323 m.
In iedere sfeer vindt men geestelijke hulp, waar ook de mens zich bevindt, overal, in iedere toestand, tot in de hoogste hemelen. 328 b.m.
Daarom is iedere priester geen geestelijke. Zij die de Vader des Vaders dienen en in liefde Zijn heilig macht benaderen, zullen mensenkinderen verwarmen, omdat zij Zijn heilig leven voelen. 330 b.
André begreep dat de grootste studie van de mensen was om zichzelf te leren kennen. Alcar had hem een spiegel voorgehouden, waarin hij het leven had leren kennen. 335 m.

God heeft ander geluk voor het leven dat op de planeet Aarde leeft. En wat deden de mensen? Zij schreiden, ja, velen waren gebroken als een oud mens overging en hen zou verlaten. Zij waren gebroken van verdriet en gingen door hun verdriet ten onder. Hoelang zou het nog duren voor zij zover waren, dat zij hun geliefden, die naar een hoger leven gingen, verheugd en blij konden afstaan? 335 o.
In het leven na dit leven, leefden de mensen voort. Eeuwig, voor eeuwig tezamen met hen die reeds hier waren en opnieuw leefden. Voor hem was de dood leven. Groots was dit leven. 336 b.m.
Doch wij moeten er voor waken, dat wij niet ten onder gaan. God gaf ons verstand. En dient dit verstand tot het kweken van ons eigen ik? Dient het tot vorming van een aureool van eigenliefde en egoïsme? Is het niet de ondergang van ons zelf? Zegt het ons niet, dat wij het leven niet begrijpen en ons teveel op de voorgrond plaatsen? Willen wij niet de persoon zijn waar alles om draait, waardoor wij ons evenwicht verliezen? 341 b.
Wij zeggen zo heel vaak: mens, gebruik je verstand! En dit verstand dient ons te verbinden met God. God bedoelt daar dan mee: mens, maak gebruik van je Goddelijke gave, die gij hebt ontvangen om uw weg naar het licht te zoeken, naar Zijn heilig land van eeuwige liefde. 341 m.

Weet dat Gods heilige kracht in u is, dat Hij u Zijn heilig leven heeft gegeven. 342 b.
Het is Gods wil dat Zijn liefde wordt gebruikt om anderen te helpen, om anderen te verwarmen, die Zijn liefde nog niet voelen. Weet vrienden, dat er een hoger gaan mogelijk is. 342 m.
Leert uw verstand gebruiken in dienst van God, al valt het u nog zo moeilijk. Leert vertrouwen, dat God, in Zijn oneindige goedheid, u allen zal helpen, om u het eeuwige geluk te doen toekomen. 342 m.
Wij leven als zusters en broeders tezamen. In liefde leven wij voor elkander en we zullen elkander nooit voorliegen of bedriegen, zelfs niet in gedachten. Wat gij vreemd zult vinden, is dat wij het onmiddellijk zouden weten, omdat wij de gedachtegang van anderen kunnen volgen. Daarom zijn allen eerlijk en is een broeder of zuster open, geheel open, voor alle anderen 342 o.
Liefde is voor ons het heiligste, het schoonste en het machtigste door God geschapen en aan ons mensen gegeven. Het is de heilige kracht, die God Zelf is en wanneer anderen kunnen liefhebben, naderen wij God, omdat God niets dan liefde is. Dan straalt alles ons toe en zullen we steeds gelukkig blijven. 343 o.m.
Allen die onze weg volgen, kunnen hier binnentreden. Voor ieder wezen is hier geluk, niets dan geluk. Eeuwig, heilig geluk wacht u. Maar vergeet niet, dat u hier nooit kunt binnentreden als ge uw weg niet in liefde hebt gevolgd en niet alles hebt liefgehad, wat ge op uw weg zult ontmoeten. 345 o.m.
Liefdekracht, het geestelijk goud in het leven na de dood; dat te bezitten, zal voor anderen wonderlijk zijn en voor hen, die haar bezitten, niets dan geluk. 347 o.

Zij zijn overtuigd, dat alles wat de aarde toebehoort, geen waarde heeft in de geest. Allen trachten een hogere sfeer te bereiken, waar zij alleen zullen en kunnen komen, wanneer zij anderen helpen om voor anderen iets te kunnen zijn, wat de gevende liefde is en betekent. 348 o.
Velen keren van hieruit naar de aarde terug, om geliefde die zij hebben achtergelaten, in de stof te helpen. Zij overtuigen hen van hun eeuwig voortleven en sporen hen aan zich in de geest te ontwikkelen. Anderen weer dalen naar de donkere gebieden af, om de ongelukkigen te helpen en werken zo aan zichzelf, omdat zij voor anderen iets willen zijn. Aan deze zijde kan de mens zich alleen ontwikkelen door te geven, wat de dienende liefde is. 349 m.
Op aarde is het gemakkelijker om zich geestelijk te ontwikkelen dan aan deze zijde. En wel hierom: op aarde geestelijk geluk eigen te maken in een stoffelijk toestand, is een zware strijd, kost inspanning en kracht. 350 m.
Het loskomen van de aarde, dus in een stoffelijke toestand zich geestelijk verrijken, dat is de bedoeling, dat wil God van al Zijn kinderen. Velen, zoals ik zei, worden door de stof geleefd. In het leven op aarde kan men door één daad een mens gelukkig maken. Eén daad in liefde volbracht, is de ontwikkeling van het leven. De aarde bevindt zich in diepe duisternis; om van duisternis tot het licht te komen, kost kracht. Zij die dat kunnen, zullen licht zien wanneer zij overgaan. Zij zien het licht, dat zij innerlijk dragen en zullen hier hun afstemming vinden. 350 o.

Alle wijsheid is dus aan deze zijde liefde, niets dan liefde. En liefde is wijsheid in de geest. 351 b.m.
Op aarde leert men om te bezitten, hier (in de sferen van licht) leert men om te kunnen geven, om anderen gelukkig te maken. 351 m.
Hier buigt men het hoofd voor liefde. Hier heeft men ontzag voor liefde, omdat liefde licht en wijsheid is aan deze zijde. 351 o.
Schrijnende waarheid, niets dan leed en smart was het leven daar beneden. Hartverscheurend was alles. Toch voelde hij zich gelukkig alles te hebben mogen beleven. Het spoorde hem aan om van het leven op aarde te maken, wat hem aan deze zijde in een gelukkige sfeer zou afstemmen. Daarvoor zou hij zich inspannen. 354 m.
Alle bezit op aarde is geen bezit. Dit te weten en er naar te leven, dat is Gods bedoeling. 359 m.
Wanneer de mensen in liefde één zijn, zal niets dan zegen op die verbintenis rusten. Dan volgen zij de weg, zoals God het heeft bedoeld. 360 m.
Wanneer een kind, of elk ander wezen de aarde verlaat, heeft het overgaan een betekenis. Vroege overgangen in de geest betekenen, dat het leven de bewustwording in de stof heeft beleefd. 361 m.
Aan deze zijde kennen wij de afstemming van het leven dat op aarde leeft. Wij weten met welk doel het leven de aarde bezoekt.  Men weet hier waarom het kind, voordat het werd geboren, de aarde ging verlaten. Beide toestanden weten en kennen wij, omdat de meesters deze kosmische afstemming bezitten. Dit alles is reïncarnatie. Is je thans duidelijk, dat wanneer de mens vroeg de aarde verlaat, het Gods wil is? Dat de ouders tijdelijk dit geluk in de stof is gegeven? En dat de mens zich juist in de stof geestelijk zal ontwikkelen? 361 m.

Wij weten, dat geen leven vanaf de aarde in de eerste geestelijk sfeer, dat de vierde sfeer is, kan binnentreden. 362 b.
Weet u, hoe vaak de mens de aarde zal bezoeken?” "Ja, dat weten wij. Het leven zal naar de aarde terugkeren, totdat het geestelijk voelt, al is die afstemming stoffelijk. Wanneer het in deze toestand is gekomen heeft het daar niets meer te leren.’  363 b.
Om vanuit het dierlijke, het stoffelijke binnen te treden, daarvoor dient het leven op aarde, dan is de reïncarnatie nuttig. 364 m.
En is de stof niet Gods schepping? Is de stof niet om tot geestelijke arbeid te komen? Is het niet om het leven te leren kennen? Op de aarde bevindt zich de mens in de praktijk van het leven. 364 o.m.
Het geestelijk wezen moet in een toestand hebben geleefd, om nu in het leven waarin het vertoeft, afstand te kunnen doen van al deze rijkdom, om te weten, dat het hem niet gelukkig zal maken, doch niets dan zorgen geeft, waarom hij het niet wil. Hij moet weten wat het zegt veel stof op aarde te bezitten. Dit kan hij alleen weten door het ééns te hebben beleefd, in al zijn toestanden. 366 m.
En alles, André, betekent de kringloop der ziel, om van het dierlijke uit het goddelijke te bereiken. Alles dient dus om het eeuwige lichaam, dat het geesteslichaam is, te ontwikkelen. 367 b.

Zo gaat de mens verder, om aan zichzelf te werken, om zijn bezit te verfraaien. Steeds verder, tot hij de goddelijke afstemming heeft bereikt en zijn toestand, zijn woning, zijn leven, zijn liefde in het goddelijke overgaat. 375 m.
Dank God voor de wijsheid, mijn zoon en weet haar te gebruiken. 375 m.
Alleen door liefde, deze heilige kracht, het goddelijke vuur, zullen hun harten ontdooien, zal hun leven veranderen, zullen zij ziende zijn. 378 o.m.
Zo ga ik dus verder om mijn huis te versieren, wat alleen mogelijk is door liefde te geven, om voor anderen iets te zijn. Zo zal ik afstemming op hogere toestanden vinden en zal ik eens naar nog hogere toestanden overgaan. Dan zal tevens mijn huis schoner zijn, ikzelf meer geluk en wijsheid bezitten, ja alles zal zich in een nog hogere afstemming bevinden. 379 o.
Wanneer wij steeds voelen dat hoger gaan mogelijk is, zullen wij al onze krachten daarvoor inspannen, om dat geluk te bemachtigen, wat Gods heilige wil is. 379 o.
Op aarde leeft men buiten alles om, wij zijn met alles één en verbonden. Het zal je, doordat je dit alles reeds hebt beleefd, duidelijk zijn dat een geestelijk wezen één is met zijn woning en dat zijn bezit zal stralen naar de liefde die hij bezit. 380 m.

Zo liggen in de mens duizenden gevoelstoestanden, dat eigenschappen zijn, dus de mens is. Door concentratie en sterke wil worden al deze eigenschappen gevoed door de liefdekracht die aanwezig is, die het wezen bezit. 380 o.m.
Hij voelde alles en begreep deze machtige symfonie, die het leven betekende. Het was alsof God Zelf tot hem sprak. Hier zei men hem, dat hem veel geluk wachtte, wanneer hij het leven begreep. 389 b.
God is liefde. God is geluk. Liefde is leven door alle eeuwen. Liefde is één zijn met Hem. 389 m.
De mens voelt zich te veel en te sterk en is te veel met zich zelf ingenomen. 396 o.m.
Wanneer de mens de eerste gelukkige sfeer aan deze zijde binnentreedt, dan eerst kan hij het leven in alles aanvoelen, omdat zijn gevoel in de geest afstemming vindt. 399 m.
André ontving steeds meer bewijzen van een eeuwig voortleven na de stoffelijke dood, waarom hij de mensheid trachtte te overtuigen, dat het geesteslichaam een apart lichaam is en dat de mens, na het stoflichaam te hebben afgelegd, het eeuwige leven binnentreedt.
400 b.

Door de vele uittredingen, die hij door Alcar had mogen beleven, stond het voor hem vast, dat de mens op aarde leefde om zijn gevoel in de geest te ontwikkelen. En dat was de liefde. 400 b.m.
De doden leefden en de levenden waren dood. Hij voelde deze waarheid. De doden droegen een wetenschap, die voor de levenden te machtig was en door hen niet werd aanvaard. 429 o.m.
Was het een wonder dat hij in opstand kwam? Is het niet waar, dat wij nog slechts mensen zijn, mensjes met een klein hartje, met o zo weinig liefde? 429 o.
Een wezen, dat de aarde reeds lang heeft verlaten, tekende en wist dat zijn kind dood geboren zou worden. Wat een macht, welk een denkend vermogen, hoeveel groter hun wijsheid dan de onze. Buigen, buigen zal zich de mens voor hun weten. Hij die eens op aarde leefde, keerde terug en tekende voor een levende het overgaan van zijn kind. Maar tevens tekende hij het eeuwige leven. 431 m.
Mens op aarde, uw doden zien zij horen en zij zijn bij u om u te helpen, maar de levenden op aarde zijn doof en geestelijk blind. 431 o.m.
En dan wikt de mens, moet ik deze of die andere weg bewandelen. Deze, waarvoor zij staan, is zo moeilijk en dan volgen zij een weg, die hen regelrecht naar de duisternis voert. En zo zucht de mens verder en vraagt: maar welke weg dan – en hij zoekt alle levenswegen af die hij gaan kan. Hij weegt en wikt, maar God beschikt. God wijst hem de weg, zoals ook jou de weg is gewezen. Maar al wil de mens deze weg niet volgen, eens zal hij hem bewandelen, ondanks alles. En wanneer zij zich tot het laatst verzetten en lang blijven wikken en wegen, toch voert God hen allen langs Zijn weg, desnoods op blote knieën, omdat het de enige weg is voor alle mensen. Het is de weg die naar Hem voert. 432 m.

Bid tot God, mijn jongen, bid veel, met hart en ziel, om veel licht, om anderen te kunnen helpen. Bid om je zonden te doen beschijnen, opdat je zelf kunt zien, steeds zult zien, om ze zelf te bestrijden. Bid dat je steeds licht, Gods heilig licht voor je mag zien, voor je mag houden om Zijn weg te zien, opdat je de waarheid mag gegeven worden. En als je dat eens  in volle kracht hebt leren kennen en mogen zien, dan zullen jij en alle andere mensen geen ander licht meer willen zien. 433 m.
Ik ben god dankbaar, dat mij de genade is geschonken om u van ons leven te mogen overtuigen. Hoe groot is ons geluk, dat wij van aardse instrumenten gebruik mogen maken om onze waarheid te kunnen doorgeven. Zusters en broeders, wij leven. Wij allen wachten u op en maken alles voor u gereed, om u straks aan deze zijde te ontvangen. Ik roep u daarom toe, trekt ook gij met duizenden op en vervolgt uw pelgrimstocht, zo als zij die aan onze zijde leven en niet weten dat zij op aarde zijn gestorven. Volg de weg van liefde, om het land van liefde te kunnen bereiken. Uw geliefden leven, zij allen verwachten u. Stemt u op hen af in liefde, opdat gij aan deze zijde ziende zult zijn. 434 m.
God geeft kruis naar kracht. 435 o.
Zolang de mens onder de eerste geestelijke sfeer leeft, kan hij terugzinken, omdat hij deze geestelijke graad van ontwikkeling nog niet heeft bereikt of zich eigen gemaakt. Zijn innerlijke afstemming is een stoffelijke gevoelstoestand en daardoor is hij door hen die het mensdom willen vernietigen, te bereiken omdat hij die verbinding zelf zoekt en wil. 445 o.

Liefde is alles, liefde is God. 468
Waar men ook vertoefde, over de gehele aarde, daar, waar geestelijk voedsel werd gegeven, kon men alles van elkander onderscheiden, omdat er liefde uit sprak, hetgeen geestelijke waarheid betekende. 470 m.
Velen met hem, die deze gave in waarheid innerlijk droegen, deed het pijn dat het mediumschap zo bezoedeld werd! Hij kende mensen die waren overgegaan en op aarde groot waren geweest in liefde, maar die, wanneer zij op seances doorkwamen, arme, stumperige mensjes waren. 470 m.
Wanneer hij voor zijn stoffelijk werk niet gedeugd of dit verwaarloosd had, dan had Alcar hem niet kunnen gebruiken. Juist het goed verrichten van zijn aardse werk, zijn hulp aan de mensen, was het begin geweest van zijn ontwikkeling 471 o.
Zij die terugkeerden en allen liefdegeesten waren, zouden geen mens op aarde lange tijd te voren in angst laten! 472 b.m
André wilde alleen in liefde zijn Godsgeschenk gebruiken om voor anderen iets te zijn. 472 m.

Eens zullen wij licht zien en geluk, eenzelfde liefde, eenzelfde wijsheid bezitten als zij die aan gene zijde leven, wanneer ook wij onze liefde in de geest willen afstemmen. Aan gene zijde wachten zij ons op, als wij ons aardse leven niet hebben verknoeid. Er is voor iedereen plaats, omdat er vele woningen zijn in Gods huis. Wanneer wij willen, wacht ons daar eeuwig, eeuwig geluk. 481
Mens, gij die zoekt, gij die de weg naar het licht zoekt, gij dwaalt en gij doolt zo dikwijls, omdat uw weg is een weg van vele kronkelingen in diepe duisternis. Maar God zegt u Zijn wil te doen en dan kunt gij niet en wilt niet naar Gods stem luisteren. Doch wanneer u dan alles te zwaar wordt in het leven, bid, bid dan. Liefde is het hoogste en heiligste, ja het aller, allerheiligste, maar er is geen liefde die u zal vernietigen. Mens, overwin uw hartstochten. God zal u zegenen voor iedere overwinning, die gij op u zelf hebt behaald. 486 b.
Ieder wezen dat op deze wereld leeft, zal zich moeten ontwikkelen. Er zijn duizenden wegen die alle anders zijn.  Elk wezen heeft dus zijn eigen weg en al die wegen komen uit op Gods weg, die wij eens zullen bereiken. Maar hoe dat geschiedt is voor ieder leven anders. Eén ding is echter gelijk, één wet hebben wij allen en dat is om te leren liefde te geven. Voelt u, te leren geven. Wij geven nooit, maar wij allen vragen nog steeds, om de eenvoudige reden dat wij deze afstemming niet bezitten. Zo beleven wij dan verschillende toestanden, die alle nodig zijn om in de geest te ontwaken. 489 o.m.

Wanneer wij liefhebben, moeten wij alle leven liefhebben, dan eerst volgen wij de weg die mijn leider mij steeds wijst, waardoor wij het geestelijke leven leren kennen. 491 m
Thans zal het u duidelijk zijn, dat het niet zo eenvoudig is om voor anderen in zuivere liefde iets te zijn. Maar ieder wezen moet het leren, of hij wil of niet; ieder wezen moet leren de geestelijke weg te bewandelen, die geluk betekent in het leven na de dood. 491 o.
Het is dit: slechts lief te hebben wat leven in zich draagt; geen antipathie te voelen, aan ieder zich geheel geven, wie het ook is, dan gaat men het leven aanvoelen in liefde. Door liefde alleen kan ik het leven peilen dat beneden mij is; 492 m.
Want u weet zo goed als ik, dat er vele mensenlevens voorbijgaan waarin de mens niets heeft geleerd; de toestanden zien wij dagelijks. De mens moet het willen, aan zichzelf werken, zich steeds innerlijk afstemmen op geestelijke toestanden, dat is liefde geven. De mens moet zichzelf geheel wegcijferen en voor anderen leven; 493 o.m.
In de kleinste daad ligt juist de grootste kracht. 494 o.

Vader, grote Vader, wij vragen Uw steun, om ons te leiden en te beschermen. Vader, geef mij de kracht, om over mijn vrouw en kinderen te waken, bevrijd mij van die boze machten. Ik wil, Vader, ik wil, o, zo gaarne. Ik wil, ik wil, Amen.’‘ Woordelijk, duidelijk en zacht, zodat alle gevoel in hun woorden lag, spraken zij, wat hij hun voorbad en wat uit de geest kwam, na. 500 o.
Alleen in liefde doet de mens wonderen. 503 o.
Ik begreep eerst aan deze zijde, dat er een aards leven mee heen gaat om de geestelijke schatten, die gegeven worden, produktief  te maken. 506 o.
Velen zult gij overtuigen van een eeuwig voortleven en zij die deze wijsheid eigen maken en er naar gaan leven, zullen aan deze zijde licht bezitten. 507 o.
Vrees niet, broeder; God is liefde is ons wachtwoord in deze duisternis.’ 523 o.
God was liefde, niets dan liefde. ‘Zo is het, André. God is licht en geluk en wil voor al Zijn kinderen het goede, doch de mens is zelf schuld aan zijn ongeluk. 531 m.

Wanneer de mensen weten, dat het leven eeuwig is, zullen zij aan massaslachting niet meer mee doen. Doch er zijn er zo bitter weinig, die zich aan hun moordpartijen weten te onttrekken, want wanneer zij weigeren, zullen zij de eersten zijn die als slachtoffers vallen. Maar het is beter te vellen dan te moorden, beter zelf over te gaan dan het leven van een ander mens, dat men nooit heeft ontmoet, te vernietigen. 534 b.m.
Mens, gebruik uw verstand, doch niet om het dierlijke te koesteren. Vecht en strijdt voor uw geluk, maar in liefde; zorg voor uw zieleheil. Luister naar uw innerlijke stem die u zal waarschuwen. 538 m.
Zwevende gingen zij verder, vele gebouwen en huizen door. Overal zag André de aardse mens en om hem heen de astrale geest, die voor hem zichtbaar was. Zij konden zich verbinden, omdat de mens het zelf wilde. De een voor het goede, een ander voor het kwade. Hij zag niets dan leven in de sfeer der aarde, waarvan zich de mens niets bewust was. Bij het ene wezen zag hij de duisternis, bij het andere alleen licht, groot en heilig bezit, het geluk voor gene zijde. 538 m.

God gaf de mens een eigen wil om handelend te kunnen optreden en zich op het Goddelijke af te stemmen. Maar hoe doet hij? Hij vergeet zichzelf en wil anderen, zijn medemensen door het gif des levens besmetten. Wie daarin overgaat, valt, valt met hen en ziet zijn bezit vernietigd. Er is geen mogelijkheid om er aan te ontkomen; alleen dan, wanneer men zich op het geestelijke leven weet af te stemmen. De mens leeft in een stoffelijke toestand, die de aarde is, maar zal zich geestelijk moeten afstemmen, wil hij aan deze zijde licht en geluk bezitten. Hij die zich op aarde van de stof voelt bevrijd, is reeds een gelukkig wezen. Zij die op aarde het geestelijke leven willen, zijn aan deze zijde gelukkige wezens en zullen bij aankomst hier licht zien, gelukkig zijn met velen, die voor hen zijn overgegaan. 539 o.m.
Wanneer komen de mensen hiervan [beïnvloeding door lagere geesten] vrij? Alcar?’ ‘Wanneer zij een weg willen bewandelen, die wij allen bewandelen moeten en aan zichzelf willen werken, waardoor hogere wezens hen zullen beïnvloeden, zodat de aarde in licht zal toenemen. De astrale geest verliest aan kracht, wanneer de mens zich op hogere toestanden afstemt. 540 b.

Wat betekent doodzijn aan deze zijde? Het leven niet te voelen; alles is dan grof egoïsme. Dit zullen de mensen op aarde niet aanvaarden, omdat zij van hun bezit geen afstand willen doen. 544 o.m.
Tevens toonde ik je aan, dat, wie hulp wil ontvangen, zich in de geest zal moeten afstemmen en dat waar zich de mens ook bevindt, daar astrale wezens zijn om zich met hem te verbinden, wat hem opwaarts zal voeren of naar de diepste diepten van de hel. 545 b.
Wanneer de mensen onze weg bewandelen, zullen zij niet te lijden hebben, omdat wij hen waarschuwen en ons leven is voor hen een levensgids om het geestelijk binnen te treden. Wie op aarde het goede wil, zal ontvangen, ja aan deze zijde licht bezitten. De mens op aarde leeft in onwetendheid, doch wij weten wat het leven op aarde betekent en hoe men de geestelijke schatten kan eigen maken. 545 m.
Wanneer je mij goed hebt begrepen, André, dan is dit leven nog vreselijker dan op aarde, omdat men op aarde nog mensen vindt die het goede willen, waarmee men kan samenwerken om het kwaad te bestrijden. Doch hier volgt men hem die de massa beheerst, omdat zij zichzelf willen beschermen en angstig zijn voor kwelling. 547 o.
Als een kind zag Alcar de heerser aan en ook hij stelde zich zo in, alsof hem het gebeurde niet aanging. Plotseling zag het beest hem aan en hij dacht te zullen stikken. Hij voelde zijn angst terugkeren, maar hoorde Alcar zeggen: ‘In vredesnaam, geen angst André, je kunt hem weerstaan; gebruik je krachten.’ André dacht aan de derde sfeer, voelde zich van zijn invloed bevrijd en zag hem recht in de ogen. 550 m.

Wanneer men aan hun feesten niet wil deelnemen en zij voelen dat, dan maken zij daaruit op, dat je met hen niets te maken wilt hebben en zien zij in jou een zwakke. De zwakkeren, zoals ik je reeds heb duidelijk gemaakt, hebben hier te lijden, worden door allen aangevallen, maar zullen teven spoedig in een andere sfeer overgaan, omdat zij walgen van hun leven’. 554 m.
Van de ene afstemming komen zij in de andere, van sfeer tot sfeer vervolgen zij hun weg; het is de weg omhoog, die zij allen te volgen hebben. En alleen door anderen te helpen, voor ieder ander leven iets te zijn, zullen zij aan zichzelf werken; een andere weg of mogelijkheid kennen wij niet. Het is Gods weg, die wij in liefde moeten bewandelen. 554 o.
Eens waren zij kinderen, groeiden op, werden moeder en hebben zichzelf door ontucht en geweld, hartstocht en verdierlijking, in deze afstemming gebracht. Zo zijn ze hier aangekomen en zullen eerst dan hun leven veranderen, wanneer zij walgen van zichzelf. Daarna beginnen zij een ander leven. 555 b.
Wat een hoger wezen innerlijk droeg, voelde en zag men om het wezen heen en ook verspreidde het een ongekende geur. 582 o
Alleen door daden, slechts door daden wordt een geestelijke woning steen voor steen opgetrokken. 587 o.m.

De mens op aarde roep ik toe: begin nu, wacht niet tot gij hier aankomt; wat gij op aarde bezit behoeft gij aan deze zijde niet te leren. Een ieder zal zich reeds op aarde en ook aan deze zijde zijn taak scheppen. Wie zijn taak niet voelt, leeft niet en zal eerst moeten ontwaken. Doch dit kan lang duren en daarom komen wij naar de aarde om hun duidelijk te maken, dat zij onze weg hebben te volgen. 587 o.
Wanneer de mensen aan zichzelf willen werken, zal hun veel van al dit geluk aan deze zijde wachten, maar willen zij dat niet, dan kan alle geluk, al deze genade niet voor hen zijn. 590 m.
Vele vrouwen op aarde deden mannenarbeid. Doch de schepping, in haar geestelijke afstemming, was daar niet op berekend. Zij waren op aarde hun afstemming vergeten. Zij waren geen vrouwen meer en al deze eigengemaakte, tegen de natuur indruisende eigenschappen moesten zij aan gene zijde afleren. Er waren op aarde vrouwen, die niet eens moeder – het heiligste van God ontvangen – wilden zijn. Waren dat vrouwen? Zou men met zo’n wezen gelukkig zijn? Alles was slechts aards, geen ware liefde kon zo’n wezen bezitten. Wist de vrouw op aarde, wat zij in de kosmos betekende? 592 o.
De mens, als man, was de scheppende kracht. De vrouw kon de man in kunst niet benaderen. Hij voelde dit aan alles. Toch waren beiden één. De kunst van de man was bezield door haar heilige liefde; zij was het, door haar kon de man scheppen. Wanneer zij één waren, dan eerst was kunst bezield door de vlammende liefde van één wezen en dat was de vrouw, de moeder, het hoogst begenadigde mensenkind. 593 b.

De vrouw was stuwkracht; zij was die de man liet scheppen. Op aarde kon men dat aan alles zien en voelen. In de kleinste dingen reeds lag die stuwende kracht. Het behoefte niet eens kunst te zijn. Wanneer een man iets goeds deed en hij werd door liefde aangevuurd, dan zou hij ook het onmogelijke tot stand brengen. Wanneer een vrouw maar begreep hoe haar krachten te gebruiken, zou zij niets dan geluk van de scheppende mens ontvangen. 593 m.
Dat was de liefde, niets dan liefde, het was de kern, de stuwkracht van alle leven, van elke schepping. Door de vrouw schiep de man, konden wonderen tot stand worden gebracht; door haar liefde werd hij bezield. 593 m.
Terug van zijn pelgrimstocht zal zijn innerlijke toestand zijn veranderd, waardoor hij tevens zal begrijpen, dat het volmaakt geestelijke in de eerste sfeer, die het zomerland is, zal worden bereikt. Zo is het leven hier, men moet liefde bezitten, wil men in de geest iets kunnen brengen. Volgt men een andere weg, dan staat de mens in zijn ontwikkeling stil en is alles egoïsme. Niets dan persoonlijk willen om iets te zijn. Maar de mens heeft een eigen wil en zal dus handelen zoals hij voelt. André begreep alles. Hier zou men mogen doen wat men wilde, maar het was beter die andere weg te volgen, die een hogere geest had afgelegd. 595 m.

De geest trad op hem toe, zag hem, zonder een woord te spreken, diep in de ogen, zodat André een stralende liefde door zich heen voelde gaan. In deze blik lag alles; woorden zouden dit gevoel niet kunnen uitbeelden. Het was liefde, niets dan liefde. 595 o.
Zoals in de eerste sfeer het schone gebouw hen die daar leefden, zou aansporen om aan zichzelf te werken, zo zou straks deze fontein haar krachten doen gelden en hen tot daden aansporen. Het was schoon en rein, zoals dit alles in steen kunstig was uitgebeeld. In alles de zacht wenkende maar dringende gedachten van hogere geesten, door hen toegezonden om hen, die hier leefden, te steunen. Wat hem telkens ontroerde, was deze stille wenk, die liefdevolle roep om hun het licht te laten zien, het geluk te laten voelen, dat zij hun eigen sfeer voelden en innerlijk droegen. 598 o.
Licht in de geest was liefde bezitten; hier in dit leven was niets dan wijsheid en geluk. Verbinden was weten, overgaan in een andere toestand en dit kon alleen door liefde. Alles was zo eenvoudig, maar tevens wist hij hoe moeilijk het voor de mens op aarde was om liefde te geven. Hij moest zichzelf wegcijferen, maar dat wilde de mens niet. Doch in de geest was er maar één weg, één mogelijkheid om tot het licht, het eeuwige geluk te komen en dat was alleen zich voor anderen te geven. 601 o.m.

Honderden mensen zag hij bijeen. Overal waren zij gelukkig. Ze speelden en maakten pret, dansten hemelse dansen en zweefden in de ruimte. Machtig was alles wat hij waarnam. Allen waren als kinderen, rein in hun daden en van alle aardse gedachten gezuiverd. In niets voelde hij hier de een of andere belemmering; hier was het wezen zichzelf. Duidelijk voelde hij dit grote geluk om zichzelf te kunnen zijn. 602 o.
Hier zag hij een dans des levens, in alles lag hun liefde tot God, het was een gebed tot hun Vader. Hoe machtig was het verschil met hen die in de donkere gebieden leefde. Hoe verdierlijkt waren zij daar, hoe verheven al deze mensenkinderen hier. Zij waren kinderen in de geest, kinderen van één Vader, André voelde, wat deze dansen betekenden. Daarin lag hun geluk, het was hun dankbaarheid, een diep voelen en begrijpen. Zacht als de wind  zweefden zij, daalden in zwierige bewegingen, alles tot in het diepst van het wezen aangevoeld en alles was liefde, een gebed in kunst geuit. 603 m.
Mens, zo zei het hem, verander uw innerlijke toestand, stem u af en zuiver u van alle andere kleuren, tot gij het smetteloos kleed hebt ontvangen. Niet eerder zult gij rusten en steeds uw weg volgen. 605 o.
Op de zevende mentaliteit, zoals ik reeds zei, leeft onze Meester, Christus, Die Zijn heilige invloed op alle andere lichamen doet gelden, waardoor het leven wordt aangespoord zich op hogere toestanden af te stemmen.’ 608 m.o.

Het zal u tevens duidelijk zijn, dat de aarde, namelijk het menselijk peil, niet kan en zal veranderen voordat al de diepere afstemmingen, dit is het leven dat op en in de eerste en tweede mentaliteit leeft, zal zijn overgegaan op de derde: de aarde. 609 b.
Waar zich de mens ook zal bevinden, wij zijn en blijven, wanneer wij dit zelf willen, met  Hem verbonden, ook al zijn wij nog ver van zijn toestand verwijderd. In alles en met alles leven wij met Hem, omdat Christus het volmaakte kind is en door Hem God leren kennen. 609 m.
Onthoud alles, mijn jonge broeder, en vertel op aarde, dat daar reeds het leven eeuwig is en de mens zich kosmische wijsheid kan eigen maken, wanneer hij onze weg volgt, die de weg van liefde is. 610 m.o.
Zij leerden geen taal zoals op aarde; hier gingen zij direct in het leven over. Hun liefde was hun wijsheid; zij konden zich met alles verbinden, zij gingen daarin over. Hun gevoel was hun wetenschap; rekensommetjes behoefden zij hier niet te leren. Hier leerde men hen om de Schepper van dit alles lief te hebben, Schoonheid zouden zij waarderen, liefde voelen voor alles wat leefde, om die aan anderen te geven, waardoor zij zich op God afstemden. 613 b.m.

Maar wie "wist”, zou het leed gemakkelijker kunnen dragen en alles in Gods veilige handen neerleggen. 613 o.m.
God nam het jonge leven tot zich en gaf het deze verzorging. Maar de mens wilde zo heel anders. De mens wilde bezitten en dit was de weg niet, was de wijsheid en waarheid niet, was de bedoeling niet van God; de mens moest en zou leven in overgaven en zich aan Gods heilige leiding toevertrouwen. De mens vergat en wil niet aanvaarden, dat eens hun kinderen hun broeders en zusters zouden zijn. Ja, dat de moederliefde in deze hogere liefde zou oplossen. 613 o.
Stem u op het leven af; wij zullen u daarbij helpen. Dus kalm en gelukkig zijn, André. 615 m.
Eén zijn in alles betekent het leven in liefde te naderen. 615 m.
Hun zielen scheurden vaneen, omdat zij moesten wachten, steeds maar wachten en zich voor anderen geven, wat zij op aarde hadden vergeten of niet wilden doen. Voor hun bleef dit paradijs gesloten. Zij moesten leren zichzelf weg te cijferen en dat ging maar niet zo ineens. In de geest konden geen stukken worden overgeslagen. 616 o.’

God is leven’, stond aan de ingang met gouden letters geschreven. Wie binnentrad moest zich op het leven afstemmen, zich in deemoed verbinden. 622 o.m.
Ondervinding is het leven, André. Door het leven te beleven zal het ontwaken en waarheid ontvangen. Het zal geluk, maar tevens strijd, leed en smart betekenen. Maar laat het voor u geen strijd zijn en vervolg uw weg door het leven te beleven zoals God het wil. 625 o.
Hij die u leidt, die u dit alles laat beleven, die naar de aarde is teruggekeerd om de mensheid te helpen en te steunen en haar van een eeuwig leven wil overtuigen, die haar zijn liefde laat voelen, die alles doet en wil om haar gelukkig te zien, die niets dan liefde is, hij, André, is mijn tweelingziel’  626 b.
Stoor ik daar dan niet, Alcar?’ ‘Wanneer je ons in liefde wilt naderen, in eenvoud en deemoed, zal je alles worden gegeven. Zalig zijn de eenvoudigen, hun behoort het rijk der hemelen, zei eens onze Meester Jezus Christus. Dat beeld voor ogen houdend, zal God je de kracht schenken alles te mogen beleven in het leven van de geest.’ 631 m.
Voordat wij zullen vertrekken’, sprak nu de meester tot hem, ‘vraag ik u: vertel hun op aarde, wat hen wacht. Zegt aan de mensen op aarde, die onze zusters en broeders zijn, dat wij leven in hemelse schoonheid. Eens zullen zij dit alles ontvangen, wanneer zij zich in de geest willen ontwikkelen. Zeg hun, dat het geestelijk leven liefde betekent, niets dan liefde is.’ 642 m.

André zag zijn leider aan, diep zag hij in hem, doch de woorden kon hij niet vinden, beiden voelden wat zij zouden willen zeggen, één waren zij in gevoel, één was hun leven, één doel hadden zij: de mensheid te overtuigen en gelukkig te zien. 643 b
God is liefde, niets dan liefde! Het leven na de dood is een realiteit, Leef, leef, gij mens, weet dat het leven, uw leven, eeuwig is. 643 m.
Het hoofd omhoog gericht , de weg gevolgd die zij allen volgden, de weg naar het licht, naar het huis des Vaders, waar voor elk leven een woning open staat en in gereedheid wordt gebracht, wanneer de mens overgaat. 







Google Analytics Alternative