DE CAÏPHAS EN DE MENS EN JERUZALEM EN DE MENS. 
Goedemorgen, mijn zusters en broeders. U krijgt 'De Caïphas en de mens' en 'Jeruzalem en de mens'. Dat zijn twee werelden en twee wezens, twee mensen, twee zielen, twee geesten, twee ruim­ten voor de aarde en ziel, leven, geest, maatschappij. 
Wanneer ge Jeruzalem betreden wilt, beleven wilt, dan staat ge voor miljoenen wetten, levensgraden, problemen, ruimten, vader- , moederschap, maatschappij. Wanneer u Jeruzalem betreden wilt als een toerist, dan begrijpt ge niet wat daar werkelijk is gebeurd. 
De aarde, de ruimte hier waarin u leeft, is miljoenen jaren oud, eeuwen, tijdperken. U behoeft niet eens over jaren te spreken, dit zijn tijdperken. En een tijdperk is een evolutie, is duisternis en licht, maar dat is ook de God van al het leven, het is de Albron. 
Door de lezingen die u hebt ontvangen deze winter moet u gaan begrijpen en zult ge leren beseffen waarvoor u eigenlijk leeft. Het is het doel van mensen om u, het Goddelijke gezag in u, de afstem­ming op de Albron - we hebben altijd gesproken over Albron, Alziel, Algeest, Alleven - de Alpersoonlijkheid in u te doen ontwaken. U moet eindelijk eens weten waarvoor ge eigenlijk leeft. 
Wanneer we Jeruzalem goed gaan beleven, dan blijft er van maat­schappij en alles wat u bezit niets meer over. Dan betreedt ge Jeruza­lem niet als een toerist, als een vreemdeling in Gethsemané; eindelijk moet u aanvaarden en beleven, in u kunnen opnemen waarom u op aarde zijt gekomen en waarvoor ge eigenlijk leeft. En dan staan wij in Jeruzalem. Dat woord, die naam Jeruzalem heeft niets te beteke­nen, want dat Jeruzalem is ook hier en dat leeft in uw hart, maar dat wil zeggen: daar kunt gij de menselijke geschiedenis beleven en zien, ondergaan. 

Ik behoef u niet te vertellen hoe ernstig deze problemen zijn, als u iets van de bijbel weet. De fouten, de ontzagwekkende fouten die de bijbelschrijvers in zich hebben opgenomen om het verhaal maar neer te leggen en het aaneen te sluiten, dat lijkt waarlijk - wanneer u de wetten gaat beleven - kinderachtig, naïef. Want het is alles anders gebeurd. Maar staan we voor de eigenlijke kern waar het om gaat, dan wandelt u daar en dan hebt ge 't gewaad aan van de Messias, want daar gaat het om. 
We hebben die wandeling gemaakt door de ruimte, we gingen van planeet tot planeet, van sfeer tot sfeer. En eindelijk kregen wij een mooi gewaad aan, een kleed; dat wil zeggen: ons innerlijk ging zich verruimen. 
We kwamen op aarde, we hebben Mozes gezien, jazeker. We ston­den voor Mozes, we legden de fundamenten voor onze persoonlijk­heid, ons eeuwigdurend-ik. Want we gaan verder; dit aardse leven heeft niets te betekenen, aanstonds gaat u door en dan betreedt u de wereld voor de geest, de astrale persoonlijkheid. Maar daar en hier, en links en rechts, en voor en achter u daar leeft het verraad, de zwakte, het niet-willen, het onwelwillende gevoelsleven dat zegt: 'Ik zal wel zien, ik zal mijn eigen denken wel beleven, ik heb met u niet te maken.' En dat zegt u dáár ook! Want elke gedachte aanstonds, ingesteld en tegenstrijdig aangevoerd op het bevel, op het gevoelsle­ven van de Messias, dat plaatst u daar in die hoek van die straat en zegt: 'Ik ken die mens niet.' En dan kraait voor u de haan niet drie keer, maar duizend maal! Punt. 

Wanneer we ... wanneer ge Jeruzalem wilt beleven, dan moet u aanvaarden dat die kern onder uw menselijke hart aanwezig is. Het is zómaar niet gekomen dat daar iemand uit de ruimte, uit het God­delijke Al naar de aarde kwam om daar Zijn wetten te verklaren: Hij bracht de liefde, het Goddelijke evangelie. Ja, het evangelie dat niets anders wil zijn: zó zult ge leven, u moet het zó doen, u moet niet haten, u moet niet over het leven, over de kinderen van God spre­ken, slecht praten. Er is geen slechtheid, er is alleen onbewustzijn. 
En dat ontmoeten wij in Jeruzalem, wij hebben het in Gethsemané reeds gezien. Wij stonden voor Pilatus en toen wasten wij onze han­den in onschuld ... 'Ik heb er niet mee te maken. Ik wil er ook niet mee te maken hebben.' Maar aanstonds wanneer we Golgotha be­treden - over veertien dagen, w God het wil - dan zult ge uw han­den niet meer kunnen wassen. Dan zult ge moeten bewijzen wat u wilt. Of, ik zal het u verklaren, ik zal het u laten zien, dan betreedt u dan maar de duisternis - dat doet deze maatschappij, dat doet de wereld - voor uw eigen-ik. Aanvaard dan maar dat miezerige per­soonlijkheidje. Maar dan is er ook niets in u wat tot de Christus behoort, wat waarachtig steen voor steen heeft moeten aanvaarden in Jeruzalem. 
Dat heeft een Judas, dat heeft later een Petrus en een Johannes moeten aanvaarden. Ja, toen was Petrus zo groot en zo machtig dat hij kon zeggen: 'Slacht mij maar als uw varkens. Ik wil mijn bloed geven voor Hem, want ik heb Hem verloochend.' En dat doet de mensheid, dat doet de maatschappij elke dag. De waanzin, de drek waarin de maatschappij leeft, dat hebt u ook, dat hebben de men­sen, dat hebben wij allen.

 
Wij gaan ééns begrijpen waarom dat Jeruzalem is geboren, waarom daar de Christus vanuit het Al is gekomen op die plek; dat is het hárt van deze ruimte. Dat is het denkvermogen en het voelen, dat is het begrijpen om het kind van de aarde - dat hebt u nu door deze lezin­gen gekregen, dat weet u nu, dat hebben u de boeken verteld - om het kind van deze aarde, de kinderen van God tot de geestelijke ontwaking te voeren. 
Maar wij gaan vanmorgen ... Wij zijn gegaan uit Getsemané daar, we hebben met Christus neergelegen om te bidden, om te medite­ren en dat was alleen maar om u en om de massa, om de maatschap­pij tot het denken te brengen. De maatschappij denkt nog niet. Eén ding is er, één wet, één noodzakelijkheid die u hebt te zien en dat is in vergelijking met de ruimte, met het universum waarin wij leven: we draaien om de zon. Dat weet u allemaal, die fundamenten door deze lezingen zijn gelegd, de boeken hebben u daarvan overtuigd. De wetenschap kan u zeggen: 'Ja, wij zweven in de ruimte.' Wij gingen van planeet tot planeet, we hebben die weg, een ruimtelijke, kosmische weg moeten aanvaarden; dát is het doel geweest van de Schepper. Hij heeft ons steeds nieuwe lichamen gegeven; ook al kan de wetenschap de reïncarnatie, de wedergeboorte nog niet aanvaar­den, zó is het. Wij krijgen aanstonds gelijk, en dan? 
Deze ruimte is miljoenen jaren oud. Ik wil u hierdoor verklaren dat het niet zó vreemd is dat de mens Jeruzalem als een toerist be­leeft. Jeruzalem is tweeduizend jaar oud, nog niet eens. Wat is twee­duizend jaar op tweehonderd miljoenen tijdperken die het universum en de planeet aarde heeft moeten aanvaarden? Er is nog geen bewustzijn op deze wereld, maar dat komt. Omdat de Messias, de Christus, het Goddelijke Bewustzijn kwam, komt er nu in deze eeuw bewustzijn. Wij leggen dus fundamenten voor deze maatschappij, voor deze wereld, ook voor uzélf. 

En dit gebeuren, deze marteling die de Messias in Zijn denken onderging, die zult gij nu ondergaan, opdat ge eindelijk eens waar­achtig zult zijn in uw denken, voelen en begrijpen. 
Ik zei u, we gingen uit Gethsemané, we hebben daar gelegen. Waren we voorbereid, zijn we gereed? Ja, de Christus is gereed. Hij is ge­reed. Hij ligt daar, tien, vijftien meters, twintig meters van de apos­telen vandaan. Ze liggen hier bij elkaar dat clubje - dat was maar een clubje. Ze liggen daar in het allerheiligste, in de Albron en val­len in slaap, ze slapen, ze zijn moe. God is ook moe? Hij werkt altijd! Zon en maan, leven en licht, de wateren, een boom, alles wat God heeft geschapen slaapt nooit, rust nooit, is eeuwigdurend bezig. Zo wordt ook de mens. Hebt ge verleden gevoeld waar het ons om ging, toen we hier neer lagen geknield en toen de Christus aanstonds moest komen, het eigenlijke, de Albron in ons ging zeggen: 'Waarom hebt ge niet even met Mij kunnen waken?'? 
'Ja, ik was zo moe, we hebben zo'n verre wandeling gemaakt. Het duizelt mij al wat U allemaal hebt verteld. Wat wilt U eigenlijk?' 
Ja, er ligt een klein beetje gevoel in de apostelen, in Petrus, in Johannes. Er is een kleine ontwaking gekomen, een licht steuntje voor Hem, Die daar moet wandelen, Die aanstonds alles heeft te aanvaarden. En dat bent U. U bent de Messias en u bent ook de apostelen. Wij hébben die karaktertrekken in ons, u bent er niet vrij van. U kunt niemand zeggen: ja, ik ben vrij. Waarom kon de Chris­tus zeggen aanstonds: 'Hij die gooien wil, smijt met de eerste steen.' Doe het eens? 

Er is niemand, dat zult u aanstonds zien op de wereld, die vrij is van fouten en verkeerd denken. Het ene onbewuste scheldt over het andere leven. Waarom? Aanstonds als we voor God, Golgotha staan en we gaan langzaam omhoog, zie ... Wanneer we Jeruzalem hebben beleefd, wanneer we daar voor Caïphas zijn geweest en hij heeft ons links en rechts, midden in ons gezicht geslagen, hij zet zijn dolk midden in ons hart; wij gaan voelen het verraad, het zelfbehoud, het bezit, de angst om zijn persoonlijkheid te verliezen, om de taak die hij niet begrijpt te moeten loslaten en in handen leggen van het beste, het hogere, het duidelijke, het natuurlijke weten, voelen en denken; ja, dan krijgt u een pak slaag, dan krijgt de wereld een pak slaag. Ik zeg u: we staan voor duizenden, miljoenen problemen, voor het geloof, voor de maatschappij. Ja, wat doet u, wat wilt u, wat voelt u, hoe denkt u? 
'Ik heb mij hier iets opgebouwd en dat zal ik daar door zo'n Rabbi, zo'n fantast, uit mijn handen laten slaan?' Gij wilt iets zeggen van de Caïphas? Gij zijt angstig voor het jodendom? Maar heel uw katho­lieke kerk en uw protestantisme stikt in de gevoelens van de Caïphas, want het verkeerde kind zit op een zetel waar het niet hoort, zal u aanstonds duidelijk zijn. 
De maatschappij, de mens is opgebouwd door leugen en bedrog. 

De bijbel wordt niet kosmisch, wordt niet Goddelijk beleefd, niet gezien, want dat is niet mogelijk - ik zei u: de bijbel en de mensheid is eerst tweeduizend jaar oud - dat moet nog komen. Maar wij leven nu hier, wij zijn naar Jeruzalem gegaan om steen voor steen te voe­len. En als u dan hier neerkomt, als u in de voetstappen gaat van Hem, voor hetzelfde ogenblik dat Hij daar wandelt, dan bent u het zelf, dan wandelt u hier. Maar wanneer we het gaan zien als een toerist, als een vreemdeling, om maar éven die afschaduwing van Hem te aanvaarden en te beleven - we kunnen dat allemaal toch niet verwerken en niet dragen - dan gaan we voorzichtig de eerste gedachte in ons opnemen, hoe Hij zich heeft gevoeld, wat Hij heeft gewild. 
Waar vandaan komt u? 
Ik zei u ook, en dat is reeds de eerste Goddelijke, kosmische, gees­telijke aanraking: de apostelen van Christus waren voor hun taak geboren. Dat waren mensen die reeds in het hiernamaals hebben geleefd, of ze hadden Hem onderweg verraden en verkocht. Ze gaan met u mee. Jazeker, Christus heeft eerst een ander stel mensen tot Zich getrokken, want ze waren nog niet zover. Hij probeerde het links en rechts, maar dat weet de bijbel niet. De apostelen worden dadelijk als heiligen op een voetstuk geplaatst - maar het waren wur­men. Dat wil niet zeggen dat u de mens aanvalt, dat u de apostelen, dat ge uzelf iets ontneemt. U staat hier voor werkelijkheid en die moet u zien, die moet u beleven - en indien u dat niet kunt, u moet dat zélf weten, mensheid, wereld, maatschappij - Dat zegt de Chris­tus nog niets, omdat Hij weet: Hij moet toch duizend eeuwen wach­ten voordat dat en dit kind die hoogte, die diepte, dat gevoel heeft bereikt om dit te aanvaarden. 

U moet nu al deze lezingen, die lange weg in u opnemen, want wij hebben gezegd en beleefd: de meesters kwamen van gene zijde, de Christus kwam terug. Dat ogenblik komt in de volgende zitting. Hij zegt tegen de hoogste meesters uit de zevende sfeer, Hij zegt ... Hij ziet: 'Hoe hebben ze Mij daar aanvaard? U hebt gezien hoe Ik ben ontvangen; dat wist Ik vooruit, natuurlijk. Maar wat gaan we doen, wat hebben wij te doen? De mens - u hebt dat beleefd, dat wist Ik, moest Ik weten - verraadt Mij aan de tafel op het ogenblik dat we voor de eigenlijke wetten staan. Het moet, die geboorte moet plaatsvinden. En wat doen zij, wat doet dit kind? Als Ik niet oplet dan doorboort hij Mij en vermoordt hij die ontwaking in Mijn ziel.' Petrus! 
De één verkoopt Hem daar aan tafel voor vijftien zilverlingen. In ieder geval, als Judas beter had leren denken, een ander gevoel had gehad, dan had hij ook niet de Christus daar ... hij had dat zak­centje, had hij niet in zijn handen willen nemen, want wie met de kas over de aarde rondrent, is erdoor besmet, die zit eraan vast. 
De Messias, de Goddelijke Bron is overgeleverd aan een stel zwak­kelingen, die men aanstonds voor heilig verklaart, omdat ze Hem Zijn leven hebben ontnomen? Dat bestaat niet! Er zijn miljoenen mensen de leeuwenkuil later ingegaan, die meer hebben presteerd als Petrus, Johannes en Andreas hebben gekund, met zijn allen niet eens. Er zijn mensen op aarde geweest, dat zult u aanstonds beleven, die de God van al het leven in hun handen hebben gehad, jazeker. Ze hebben hun bloed, hun ziel, hun zaligheid kunnen inzetten zón­der aan die oneindigheid te twijfelen. Dat was er, nee, dat zágen zij. Zij zien het, zij hoorden het, zij beleefden het en toen gingen zij zichzelf daarvoor inzetten. Daar hadden zij geen bijbel noch geloof noch God noch Christus voor nodig; zij hádden dat. Er zijn duizen­den mensen nóg op aarde, die willen niets van uw weten, uw voelen, van de Christus en alles weten, maar ze zijn rein als goud. Jazeker! U kunt daarin een stralend levenslicht aanschouwen in dat menselijke oog. Zij stralen reeds kosmisch bewust uit. Maar dat kon Petrus niet en dat kon Johannes niet van zichzelf zeggen, want ze waren zoe­kende. Wanneer u deze hummels, deze kinderen had gezien daar naast die ontzagwekkende figuur, de Messias, de Christus, dan had u ze van Zijn leven weggerammeld.

 
Toen de meesters, de meesters, de meesters uit de vierde, de vijfde, de zesde en de zevende sfeer dat probleem volgden ... Mijn God, mijn God, hoe hebben deze mensen gekermd toen ze gingen zien dat de Messias niet alleen van voor, van links, van rechts, maar ook omhoog en van achter reeds verkocht en verraden was in Gethsemané, omdat ze wisten: deze kinderen zullen bezwijken. Ja, er waren er die zonderden zich af en waartegen de Messias, de Christus zei: 'Ga Johannes, Ik heb u nu niet meer nodig, Ik sta zelf voor Mijn verken­nen, dienen en geven. Ge kunt Mij nu niet meer helpen. Trouwens, u kunt Mij nergens mee helpen, u moet het toch zélf doen. Maar neem Mij in u op, ga voelen en zien waar Ik naar toe ga.' 
En dan staan we, mijn zusters en broeders, wereld, maatschappij, dan staan we in Jeruzalem. We komen uit dat reine, eerlijke, kinder­lijke, zuivere Gethsemané. We worden voor de maatschappij geplaatst en dan krijgen we dat mooie gelaat te zien van Pilatus. En dan moet de mens oordelen. Hij moet bewijzen, omdat vijfentwintigduizend mensenkinderen dit Leven niet begrijpen, moet hij bewijzen wat hij doet. Hij moet ... Hij moet een rechtvaardigheid uitspreken. En nu staat de Messias, van links en voor en links en achter Hem voor kwaad, bedrog, afbraak en bezoedeling. Barabbas komt er ook bij, een bandiet, die staat naast Hem. 
'Jà, zeiden ze, 'dan had U Zich ook maar niet met het kwaad, met de drek, de afbraak, de bezoedeling van de wereld moeten uitgeven. U had Zich niet met die mensen moeten bemoeien. U weet hier niet wat U doet!' schreeuwde men de Messias toe. 'U hebt Maria Magdalena aanvaard en weet u wie dat is, hoe zij is? U neemt aan dat de bagger van de maatschappij, het dierlijk bewustzijn uw voeten wast? Rabbi, Ge zijt krankzinnig, maak dat Ge wegkomt!' 

Waarom heeft de Christus dat gedaan? Waarom, waarom sloot Hij Zichzelf niet voor de wereld af? Waarom heeft Hij niet gezorgd dat die en die dingen niet van Hem konden worden verteld? Want toen Maria Magdalena - het woord komt - als een hoer voor de maatschappij en de wereld zichzelf had verkracht en afgemaakt, hoe kon de Christus Zichzelf door die duisternis besmetten, indien Hij voor het licht van de wereld, van miljoenen mensen wil verschijnen? Een raadsel? Hij Die uit de Goddelijke Bron komt, doet verkeerde dingen, zodat Hij bewust die maatschappij, dat onbegrijpen, dat dierlijke gedoe de zweep in handen geeft om Hem maar even af te rammelen, dood te slaan, te vermoorden? Want dat komt. Wanneer is Hij wijs, wanneer is Hij achterlijk? Dat hebben zich de mensen, de enkelingen die gereed waren en die Jeruzalem omrandden, die dat allemaal hebben gevolgd, die hebben zich afgevraagd: 'Heb ik het recht om over deze Mens te denken?' 
Dat zijn de kosmische problemen waarvan de wereld niets weet, maar waardoor het ene verkeerde na het andere werd opgestapeld. Waardoor de Messias geen fundamenten heeft gelegd voor de maat­schappij en het ziende oog van de stoffelijke mens? Nee, Hij bouwde aan kuilen, aan voetangels en klemmen voor Zichzelf. Hij ging door modder en slijk naar het licht! Hij zegt, want Hij wist: als Ik in die maatschappij licht beleef, hoe kan Ik dan het andere wat nog niet zover is tot Mij optrekken? Hij daalde in dat slijk af, Hij wérd slijk. Hij zei tegen Maria: 'Láát het en ge zijt genezen.' 

Ja, dat gebeurt. Dat zult ge aanstonds beleven, dat dat gebeurt. U kunt op slag een universeel vertrouwen naar voren brengen indien gij uw man en uw moeder en uw vrouw liefhebt. Dan zijt ge univer­seel wáár. En dat heeft ons Gethsemané, dat heeft ons Pilatus ge­toond. Want dát is het niet, handen wassen in onschuld, niet bekennen, geen kleur bekennen en het andere leven laten vèrsukkelen, laten verongelukken op de weg, de lange weg terug naar de Alvader. Dat is geen kunst. Maar om neer te liggen hier en te zeggen: pas op, denk niet verkeerd! En indien ge niet wilt, ga dan maar verder, ga dan maar naar uw eigen schavot. 
Dat beleven wij ook. En daardoor zult ge zien dat de Christus gelijk heeft gehad dat Hij in de duisternis voor het leven in de stof is afgedaald, want dát moest Hij hebben. Dát is de afbraak en de ver­nietiging die u nu tijdens uw leven hebt moeten aanvaarden en waarom de volkeren der aarde zich nog niet begrijpen. 
We komen uit dat Jeruzalem niet weg. U kunt zich niet losmaken van Jeruzalem, om maar eventjes naar Golgotha te gaan kijken en te zeggen: ja, ik heb het al gezien, ik geef me maar, dan is het voorbij. Nee, u zult die smarten ondergáán. U zult hier leren denken en voelen, of u deugt niet voor uzelf. Begrijp in vredesnaam wat er gebeuren gaat als u zichzelf hier ziet. 

( ... ) We blijven daar in die tijd, maar wanneer u nu even gaat zien hoe het menselijke wezen uit Amerika, Frankrijk, uw land ... En dan komen ze in Jeruzalem even kijken: 'Ja, heeft die man hier nu geleefd? Dat was een legende.' En dan bekijken ze zich de torentjes en de afgebroken ruïnes om een beeld van Jeruzalem in zich op te nemen. Maar dat is het niet, dat wordt het ook nóóit! 
Toen Hij met Petrus voor het gevaar kwam te staan ... Het gevaar? 
Nee, het geroddel, de afbraak, de maatschappij, toen gingen de kin­deren, de apostelen begrijpen: nu wordt het heilige ernst. Christus had nog niets gedaan, Hij moest z'n ... en zou Zijn eerste woord nog spreken over de eigenlijke bron van waaruit Hij kwam. Toen was Petrus al bezweken. Hij waarschuwt hem nog. U waarschuwt uzelf elke dag. U hebt het elk ogenblik, uw vaders en moeders waarschu­wen hun kinderen elk ogenblik, maar dat kind gaat door. We weten het, er is geen bewustzijn, maar nu zijn we grote volwassen mensen. Wij hebben de natuur, we hebben vader- en moederschap, we heb­ben Christus, we hebben God beleefd. Wanneer gaan we denken? 
Daar komt Petrus ... Judas die denkt. Die denkt, ziet u, Judas die denkt dat hij zijn Meester kan aansporen, bemoeit zich met iets waarvan hij met zijn vingers, zijn hart, zijn leven had moeten afblijven. 

U moet een mens laten leven. Een student maakt z'n professor af; hij weet het, maar hij heeft nog zeven jaar te studeren. De mens denkt niet. Op dit ogenblik - die nieuwe bijbel wordt geschreven _ dan komt de analyse waarvoor Socrates en Plato hebben geleefd. 
Waarom, Judas, begon je te denken in de verkeerde richting? 
Waarom heb jij je bemoeid met het Goddelijke gezag, waarom? Waarom heb je verkeerde gedachten aanvaard voor jezelf? Waarom ging je Hem bedenken en bevoelen? Daar had je maar af te blijven! 

En gij, mens en Jeruzalem, hebt af te blijven van de mens met elke gedachte, omdat u die bron smoort! Dat hebben wij leren zien, dat hebben we moeten aanvaarden. Anders komt u nooit in een reine, duidelijke, harmonische sfeer. U hebt zich niet te bemoeien met een mens. Daarom het gevaar aanstonds, als u bewust vanuit Jeruzalem naar de maatschappij gaat en u laat dat achter u en u komt nu in uw eigen tijd - want daar gaat het toch over - word dan eens, schrijf eens over een mens, over iets dat u niet begrijpt. Voel u maar eens dik. U hebt de pen, u bent een redacteur van een van uw grote bladen. U hebt het te zeggen, want u hebt het geld en kunt plaatsen en schrijven wat u wilt, u kunt kraken wat u wenst. 
Maar hier ... hebt u dan geen voorbeeld gekregen, maatschappij, aan Judas? Ja, ze hangen zich aanstonds nog op. Hebt ge dan niet gezien dat Judas door zijn verkeerde denken ... Hij wilde de Messias opvoeren, hij wilde Hem laten tonen, hij wilde Hem laten bewijzen wat Hij kon. Moest de Christus, moest de Albron luisteren naar zo'n wurm, zo'n miezerig leventje? Ja, er was wel verlangen ... er was wel verlangen in Judas om iets voor de maatschappij, om iets voor de Rabbi, om iets voor het geloof te doen, jazeker, maar er was geen bewustzijn, voor dát niet. Judas gaat, hij zit daar, hij wil .. hij is als bezeten om de Messias onder dat volk, onder die haat te stu­ren, want hij weet dat Hij het kan, jazeker! 
Christus denkt: moet Ik door een kermistent, moet Ik me laten zweven, moet Ik op de wolken gaan zitten om de mensen, om deze massa tot het Goddelijke terug te voeren? 
Dat was niet menselijk meer, want de mens kan niet in Goden­wonderen zijn bewustwording voor de volgende stap ontvangen en ondergaan, dat moet stoffelijk gebeuren. Daarom leeft de Messias stoffelijk, daarom had Hij geen angst om het kwaad, om die Maria daar te aanvaarden. Er is immers voor Hem geen slechtheid, er zijn geen verkeerde gedachten. Maria had lief, Maria Magdalena had liefde beleefd. Zij wilde zien wat zij innerlijk in zich droeg. 

Dat komt aanstonds naar voren en dan blijkt het dat Christus de Albron in Jeruzalem neer heeft gelegd aan de voeten van de mens. Dat Hij die Albron heeft beleefd door Zijn beeldspraak, door Zijn gelijkenissen, maar ook en vooral door Zijn gang, door Zijn marte­ling. 
Ja, wat ik u vanmorgen moet aantonen is: durf het eens, wanneer een mens voor u staat in Jeruzalem - u zult aanstonds die taak heb­ben te aanvaarden en te vertegenwoordigen - durf dan eens als een Pilatus daar te zeggen: 'Ja, daar staat Barabbas, daar staat een lager bewustzijn, een psychopaat, een bruut, een verdierlijkt iemand. En hier staat, dat zeggen de mensen, een reine persoonlijkheid. Maar ik wil er niet mee te maken hebben!' 
Maar dat is een Goddelijk gezag, dat is een Goddelijke wet. U hebt rechtvaardig te zijn voor álles wat door uzelf is geschapen, want u kent uzelf niet. 
Hier staat uw kind, uw moeder, uw vader. .. en nu was ik mijn handen in onschuld. Die mens, die krijgt de waarheid niet te horen. De maatschappij, het gezag, dat is het gezag in deze rotte wereld, dat laat deze mens alleen staan. Je krijgt geen houvast - en dan staan ze. 
Zo stond de Messias. Hij luisterde niet eens. Biddende ... uit Gethsemané gekomen, gemediteerd, Zich gereedgemaakt voor de kliek waarvoor Hij komt te staan. Duivels zijn het, satanen. De rest waarmee Hij wandelde, waardoor en waartegen Hij heeft gespro­ken, waardoor Hij Zich enigszins heeft kunnen ontsluieren - Hij kon ze niet teveel geven, want dan waren die arme apostelen gestikt - moet Hij aanvaarden dat ze hun huis al kwijt zijn. Ze hebben geen grond meer onder de voeten, ze zijn op hol geslagen. Die elf, die twaalf grote mensen hebben het bewustzijn niet dat een kind - nu in uw tijd - heeft gekregen van de Messias, door de bijbel, door de leer, van vijf en zeven jaar. Dat had Petrus niet eens en dat had Johannes ook niet. Ze klampten zich aan een mooie boom vast en zeiden: 'U kunt meer wind verdragen dan wij.' Maar u zult wind zijn en storm zijn, u zult al de elementale wetten beleven en aan­vaarden, in u moeten opnemen - maar daarvan begrepen ze niets. 

Christus ging met een bewust doel en denken in Jeruzalem. 
Waarom? Want dat is het hart van de maatschappij, dat is uw Den Haag, uw Amsterdam en alles, dat is uw Parijs, dat is New York nu. Berlijn heeft het reeds gevoeld, dat is gekortwiekt, omdat ze het daar te vér doorvoerden, zij kregen niet genoeg. Maar dat waren de Caïphassen voor uw eigen tijd. 
U weet door 'De Volkeren der Aarde' dat Adolf Hitler de Caïphas vertegenwoordigde uit Jeruzalem. Want gij zult alles weer goedma­ken. En vergrijp u nu eens aan het leven van Christus ... Dat is het boek 'De Volkeren der Aarde', door Christus geschreven. Hijzelf heeft aan de meesters opgedragen: 'Schrijf het boek over Mijn leven en vertel dat de Caïphas in uw midden leeft.' 
En nu moeten wij aanvaarden of we veel hebben van die Caïphas, of Jeruzalem in ons ontwaakt volgens de wetten van de ruimte, of dat wij nog zullen ontwaken. Leeft u, ofleeft u niet? Dan hebt u ook het recht niet om een woord te zeggen. Dan hebt u niet het recht om te voelen en te denken; u moet er nog aan beginnen. 
Maar dáár staan we, uit die stilte. We hebben ons gereedgemaakt, we hebben gemediteerd, we zijn nog niet éven buiten Gethsemané. Dat is het hof van Eden, dat is nog altijd Goddelijk, dat is een klein plekje grond waar we konden denken en voelen: mijn God, mijn God, mijn God, laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan? No, néén, wij zijn wild en bewust ingesteld, om nu eens te mogen bewijzen wat· de God van al het leven, mijn Vader mij schonk. Dat brandt in mijn hart, dat is razend bewust, wals ook de Christus heeft gevoeld. En nu moeten wij dat bewustzijn, dat razende gevoel, die angst en dat beven, dat er niet is, maar bezieling heet en inspiratie, het weten, het zijn, moeten wij aan de maatschappij brengen, en dat is Jeruza­lem. En nu komen we ... nu komen wij te staan voor het gezag van deze wereld: Pilatus!

Hij zal het even doen, hij met zijn kroon, de gouverneur ... de gouverneur van Jeruzalem, die zal het eens even zeggen. Daar staat hij. Een pilaar van 'lek me vesje', wu Jeus zeggen, een stinkend gedrocht. Ga maar in uw maatschappij en bekijk deze levens, deze persoonlijkheden, hun denken en voelen, voel dat. Dan ziet u ... dat dit leven, dat voor God nog moet ontwaken, dat de maatschappij liefheeft, dat zich laat behangen met diamanten en paarlen, met lintjes, medailles, dat dat leven over u moet beslissen. En u hebt dat nu maar te aanvaarden, u staat daar - Christus ook. Waar gaat dit naar toe? Waarheen moet ik? 
Hij stond daar, wezenloos, Hij denkt: wat duurt het lang. Eerst hebben ze Hem daar gemarteld. Pilatus zegt: 'Sla op die Mens, gesel Hem maar.' 
Daar begint het al. Hij geeft het bevel dat ze de Messias, dat ze deze Rabbi, die moeten ze maar eens flink kraken. En nu wordt Christus daar in een hok gesleept - u kunt dat straks zien - en daar komen de heren, één voor één. Ze slaan zich moe op het lichaam van een arm Mens. Ze hebben een zweep in handen. Deden ze het maar met de vuist, maar ze nemen een zweep en slaan erop los, op deze ongelukkige Mens. De Koning voor ál de werelden wordt ge­kraakt. Hij doet niets, Hij zegt er niet één. Hij kijkt, Hij laat het over Zich heen gaan, Hij krijgt Zijn striemen. Zijn lichaam wordt toegetakeld zoals er een mens nog niet toegetakeld is. 
Ja, er zijn er meer, die hebben ze doodgemarteld. Uw vijfjarige oorlog, uw laatste tijd, die bent u al vergeten, maar toen is het ook weer gebeurd. Men slaat op het goede, men moet het goede kraken. De demonen van deze wereld weten het niet beter. 
Mijn God, mijn God, mijn God, denkt Christus. Maar mens, mens, mens ... vergrijp u toch niet aan Mij, vergrijp u toch niet aan Mij. Hij aanvaardt het. Hij zegt niets, niets, niets. 

Daar staan ze. Het volk lacht, Jeruzalem lacht, die soldaten begin­nen te grijnzen. Dat brute geweld kijkt naar de God van al het leven, van Judas en Petrus en de apostelen. De vrouwen zijn op de vlucht geslagen, de moeder van Christus weet het niet meer, ze rent rond in Jeruzalem en denkt: waar is mijn Kind? Ze weet wel dat Hij het Goddelijke gezag bezit. Maar op dat ogenblik - aanvaard het ­wist Maria niet dat zij de Messias in zich droeg en dat dit Kind van haar en door haar op de wereld gekomen, de Messias was, wist zij niet eens. Want daar liep ze: 'Waar is Hij nu?' Als een reine moeder had ze Hem lief, zeker, maar ze wist niet waarvoor Hij kwam. 'Waarom moet dat Kind geslagen worden, waarom moet mijn Kind zo lijden?' Wanneer Maria had geweten dat Dit de Messias was, dan had zij die woorden niet eens gesproken, dan had zij kunnen aan­vaarden. Maar dit is een mens, een eenvoudig mens, moeder. Maar dáár gebeurt het! Hier ... de ene mens neemt de zweep in handen om het goede in de mens dóód te slaan! En Hij Die alles kan, Die neemt geen dolk, Die spuwt niet, Die zegt niet één hard woord, want Hij weet: wanneer Ik een hard woord zeg, wanneer Ik zou zeggen: 'Vuiligheid, laat Me met rust, Ik heb u toch niets gedaan?' Dat zégt het Weten, het Bewustzijn niet eens, want dat hoeft het Bewustzijn niet te zeggen, dat dierlijke begrijpt dat toch niet. 

U hoeft u niet te verdedigen ten opzichte van het lagere, onbegrij­pelijke, onwelwillende-ik, uw woorden worden niet aanvaard. U slaat het er toch niet in, u hebt maar te aanvaarden. Over duizenden ja­ren dan is Pilatus, dan zijn die beulen zover en dan vragen ze zich af: mijn God, wat heb ik gekregen, wat heb ik gedaan? 
Maar hoe is dat ontwaakt? Omdat die beulen óók zo op dat stoel­tje kwamen en werden gegeseld. Want er komt een tijd dat ge de harmonische wetten van God weer tot het Goddelijke gareel zult voeren. En dan slaat er een ander op u in en dan gaat ge begrijpen hoe pijnlijk of dat is en dan zit ge op dezelfde plaats. En omdat u weet, vóélt, dat u toch onmachtig bent tegenover zoveel bruisend geweld, zegt u ook niets en aanvaardt u. En dat is het begin voor de eerste menselijke, stoffelijke bewustwording, een fundament onder uw voeten. Het begin om verder te gaan en Jeruzalem in u op te nemen, aanstonds Golgotha te betreden. Maar wie doet dat? 
Ik ga nog even door om u Jeruzalem, om u Jeruzalem te tonen en dan aanstonds uw maatschappij te betreden om dan enkele dingen voor uzelf en uw leven, uw voelen en denken, uw huwelijk, uw va­der-, uw moederschap, uw zuster, uw broeder, vast te leggen. En daarmee zal ik u naar huis sturen, opdat ge zult weten: slá niet! 

De Christus wordt hier weggevoerd, Hij gaat eerst naar de koning en dan zegt de ene, de aardse, die zegt: 'Zijt gij een koning?' 
Hij zegt: 'U zegt het', want Hij wéét dat Hij het is, een Koning in de geest. 
Ja, Socrates, Plato, gij hebt wel iets gevoeld van het Koninklijke, het Koninklijke gezag, de kroon van en voor elke gedachte, iedere karaktertrek. Wanneer een koning in, voor het menselijke ruimte­lijke, geestelijke, innerlijke bewustzijn naar voren treedt, dan zet hij een kroon op elke gedachte. Want elke gedachte zal een koninkrijk zijn en bezitten. En eerst dán ziet ge uw fundamenten, ziet ge uw Gethsemané. Dan zijt ge aangeraakt door de Goddelijke snoertjes en voelt ge u één en uzelf met Hem verenigd Die Alles is. 
Maar hier zijn we ... en dan krijgt ge dit pak slaag. Het goede wordt geslagen, maar het goede maakt zijn taak af. Het goede, als mens, wil die taak ondergaan, doet niets. En nu zult u zien: de reine, geestelijke, Goddelijke fundamenten treden naar voren, die bou­wen zichzelf op. En dat is dan de enige ... dat is dan het enige hou­vast voor u als mens in deze maatschappij, deze wereld. Als u ... mocht men u, indien men u wil slaan: doe niets en neem het. Want wanneer u terugslaat - hebt u de bewijzen in uw maatschappij, in het leven niet gekregen? - dan eerst zult ge voelen en denken en daarna begrijpen dat het bezit, het enige bezit, het goede in u, plot­seling uit uw leven vandaan is en dan kunt ge weer opnieuw begin­nen. Weer opnieuw beginnen om te bewijzen, om die kroon op het gemoed, op het gevoelsleven te plaatsen, op het aanvaarden, het overgeven, het dienen. Duizenden problemen stormen er thans op u af, is een woordenboek op zichzelf, want elke gedachte bezit een kroon, bezit een ziel, een geest, een persoonlijkheid aan eeuwigdu­rend bezit. En dan gaat ge zien dat die huichelachtige maatschappij, dat stinkerige, stoffelijke Jeruzalem aan uw voeten neerligt. Dan staat u daar bovenop en dan heeft geld, hebben paarlen, diamanten en smaragden, sjeiken en maharadjàs, koningen en keizers niets meer te betekenen, u bent het dan zelf Zo' n aalmoes, die aanvaardt u niet, die trapt u onder uw voeten vandaan. U aanvaardt geen keizer-, geen koningschap, geen pen, geen rechterschap.

U wilt 'n kind zijn van Moeder Natuur, want u gaat terug naar Gethsemané. U zegt: 'Ik ga en wandel, alles wat u ziet behoort mij toe. God bewaar me voor deze afbraak.' Nee, God kan u niet bewaren, want ge zijt het verte­genwoordigde element voor al Zijn ruimten, voor ziel en geest, voor vader- en moederschap, voor de wedergeboorte. 
Sta eens even stil daar in dat Jeruzalem, in die kerker daar, waar vijf, zes, zeven wilden, bruten op Hem afstormen, op u afstormen, u het gewaad van uw lichaam trekken, verscheuren, zodat u daar naakt zit. En dan komen ze met een zweep, dan komen ze met een door­nenkroon, dan krijgt u een kroon op ... De kroon van smart, de kroon van laagheid, de kroon voor het niks-zijn, het niets-voelen, het niets-beleven. U krijgt een kroon op, men slaat hem door uw hersens heen. Het bloed - ja, wat is bloed? - het bloed stroomt, prikkelt, het drupt, maar in u leeft er een verbetenheid die zegt: 'Doe maar met mij wat u wilt, u verliest het toch. Ge kunt mij immers nimmer overwinnen, indien ik in harmonie blijf met Hem, waardoor ik hier kwam en waardoor ik mijn leven heb gekregen. Sla mij maar - ge slaat uzelf Bezoedel me maar - ge bezoedelt uzelf Verkracht me maar in gevoel- u hebt zichzelf reeds verkracht. Mis­maak mijn moederschap - u mismaakt uzelf, u vermoordt uzelf, u vernietigt uzelf, u vergiftigt uzelf U doet alles, alles, alles indien u één vinger naar mij uitsteekt, want ik kom vanuit Hem Die álles is. Ik kom met liefde, ik kom met geluk, ik kom met voortvarendheid voor opbouwing, reine, geestelijke evolutie en daarvoor kunt u mijn bloed krijgen. Ik wéét - u weet niet.' 

In deze onsamenhangende wereld, voor deze mensen die niets anders dan het verkeerde willen en die nog denken dat ze goed doen _ want ze vechten voor het bezit, hun maatschappij - staat gij en stond de Christus als mens. Toen Hij geslagen en getrapt werd, toen was Hij mens, normaal volkomen mens. Toen was Hij geen God­heid, niets meer. Maar hier, daar in Zich, in Zijn onderbewustzijn, in Zijn ziel, Zijn geest, Zijn persoonlijkheid, daar is Hij de God van al het leven. Daar is Hij mens, Hij laat Zich slaan. 
Wij hebben in de menselijke geschiedenis beleefd en gezien dat altijd het hoogste gezag - iets dat tot de maatschappij, tot de natuur, tot de miljoenen mensen van deze wereld heeft gesproken - altijd weer het buigende principe is geweest. Altijd het zachte, altijd weer het aanvaardbare, het gevoelsleven dat draagt, dat dient, dat u op­neemt. 
Die ... die arme mensen daar, die de zweep in handen hebben genomen, die het beulschap voor deze mensheid, voor één mens daar hebben aanvaard, dat is ... dat is duivelsgedoe. Dat is het ver­grijp, het vergrijpen, het afdalen in het menselijke hart en daarin alles omdraaien; daarin het leven opzuigende, door de maatschappij te smijten en het dierlijke gedoe te laten dansen. Voor wat? Het is het niet willen aanvaarden dat een menselijk woord waarheid kan bevatten. Het is het bewuste neerslaan, want dit voert u immers naar iets anders, want wanneer hij dit krijgt, dan ben ik dit kwijt. 

En nu hier - er zijn meer van die mensen, meer van die werelden _ nu stormt alles, al dat andere en verkeerde op het ene, enige goede af. En nu kan de Christus ... nu is Hij zover, nu is de mens zover, nu is Jeruzalem hier, Jeruzalem heeft ons al aangeraakt, Jeruzalem zegt: wat wilt u, wilt gij hier regeren? ... nu is het zover, nu wordt Hij weggeleid en nu gaat Hij naar het onbewuste gelóvige gevaar. Want er is maar één geloof en dat is het jodendom. De kerk, de katholieke kerk moet nog geboren worden, van protestantisme is er geen sprake. Er is boeddhisme, jazeker, maar dan moet u terug naar de natuur­volken. Hier in het bewuste Europa, in het bewuste Jeruzalem îs er geen katholieke kerk. De bijbel wordt niet begrepen, de bijbel die moet nog geschreven worden. Ze beginnen hier en daar de velletjes op te zoeken, die dan door de bewuste mens in zich opgenomen heeft ... en in zich opgenomen heeft en aan de mensheid heeft wil­len schenken, heeft willen geven. Die mensen zoekt men. Men vraagt:'Wat weet u, wat hebt u daar gehoord, daarzo? Wat heeft die apostel daar verteld? Schrijf op, dat er niets verloren gaat.' Dat moet alles nog komen Maar hiér staat het, hier staat het reeds geschreven. Hier leeft de bron, hier buiten Gethsemané, in een kleine kerk. 
Caïphas kan niet aanvaarden aanstonds, dat dit Kind een Rabbi is. 'Mijn God, mijn God, mijn God!' schreeuwt het in de Christus, schreeuwt het in de Mens, 'Ik heb hetzelfde geloof, Ik heb méér, Ik weet méér. Ik ga nieuwe fundamenten leggen. Waarom gaat ge niet van deze ... waarom gaat ge niet uit deze weg? Waarom stapt ge niet náást hetgeen de wereld heeft ontvangen? Waarom gaat gij niet een klein beetje voor Mij weg? Ik kom met het nieuwe.' 

Christus denkt, de Mens denkt: maar mijn God, hoe krijg Ik die man, hoe krijg Ik dat dogma, die gevoelens van die mensen naar een hogere bewustwording? Ik zal Me opnieuw moeten laten slaan, maar Ik zál het zeggen. Ik zal het hem zéggen dat Ik het bén, dat Ik het contact bezit met natuur, vader, moeder, met de God van al het leven, God als geest, God als zoon, God als vader. Maar Christus weet: God als móéder zegt alles! 
Nu komen wij voor de kern van het leven te staan. Christus gaat vanuit het Gethsemané, van Pilatus naar Caïphas. Hij is een Kind van de kerk, Hij heeft de studie van de eigen universiteit ontvangen. Caïphas vertegenwoordigt voor al de mensen van zijn soort en zijn ras het professorschap en hij heeft deze Rabbi de eerste fundamen­ten voor deze studie en leer geschonken. Caïphas is het hoofd. En wat had Caïphas nu moeten doen? Wat zegt uw gevoel? Wat doet de mens, wat doet de maatschappij, wat doet deze massa-persoonlijk­heid? 
U gaat thans voor uw eigen leerstoel staan. U keert terug naar het menselijke denken van voor uw eigen tijd en dan staat u meteen voor uw universiteit. En dan bent u een student en u klimt op en nu zet ge uw professor schaakmat, u weet méér, u voelt dieper. En dan zegt hij: 'Ga weg, ik ben het.' 

Er zijn duizenden studenten, geleerden afgemaakt - weet u dat niet? - toen de leer begon, toen de mens zijn uitvindingen kreeg, omdat de ene mens die het hád zijn plaats niet wilde afstaan voor het nieuwe. En nu staat u nog stil- en dat is Caïphas. Nu kunt u wel een wetenschap opbouwen; u bent een meester in kunst, u bent een Bach, maar nu komt er een Mozart, nu komt er een Beethoven en zegt ... En nu moet een Bach kunnen aanvaarden: ja, dat is waarheid, dat is ijler, dat is ziel, dat is geest. Maar dat kan Caïphas niet. 

En nu legde de Christus ruimtelijke fundamenten voor eeuwig­durend, toen Hij voor de Caïphas stond, neer en toen had Hij Zich maar over te geven. 
Wat leert de massa, wat leert de mens van dit ogenblik, dit doen en laten van de Christus? Is het dan niet waar dat ge nóg in die afbraak leeft, dat ge nóg voor het oude staat, het onbewuste - en het nieuwe? Dat het nieuwe niet wordt aanvaard? Dat de nieuwe doctor die daar komt en een uitvinding doet en zegt: 'Sluit hem maar op, maak hem maar af, dat is een gek.' Nu begint deze strijd eerst. Eerst na 1950 moet dat beginnen, want de wereld vráágt naar een nieuwe bewustwording. De wereld gaat nu de Caïphas zien. De wereld die slikt, die aanvaardt geen Pilatus meer: 'Ik was mijn handen in on­schuld.' U hebt nu te bewijzen wat u kunt! 

Maar dáár staat het, die bewijzen heeft de Messias gegeven, u staat voor uw geloof. U voelt meer, u bent dieper, u hebt een hogere be­wustwording, want u bent een evolutieproces. U legt fundamenten die u terugvoeren naar het Goddelijke Al. Is dat niet zo? 
Wat zegt de Caïphas? 'Wij moeten deze Mens afmaken, dat wordt het gevaar voor ons geloof.' Hier hebt u het, dit is de afbraak waarin u nóg leeft. Dit is het dode punt voor de menselijke geschiedenis, het geloof ... De mens krijgt een gebed, de mens krijgt een gezang, de mens krijgt kunst. En nu gaan we beginnen om dat zingen, om die kunst op te bouwen, op te voeren, om de ziel van het leven naar de maatschappelijke bewustwording te brengen. Dat wil zeggen: laat het stralen, laat het leven, laat het leven zîjn. Daar is de Christus voor God en voor het geloof aan begonnen. Nu kunt u aan kunst doen, u kunt een technisch wonder beleven, maar 0 wee, 0 wee uw persoonlijkheid, uw gevoel indien u voor het geloof van de mens staat. Indien gij denkt het geloof te kunnen afmaken en u hebt er niets anders voor, dan bent u al bezig om u voor eeuwen en eeuwen te verdoemen. Want u ontneemt de mensen ... u trapt het funda­ment in waarvoor de Christus heeft geleefd. 

Er is een begin, er is ook een einde, een einde van een graad, een einde van een gevoel. Nu komt de kroon erop en dát heeft Caïphas geweigerd! Daardoor heeft hij Jeruzalem niet begrepen noch gevoeld. Hij had met Jeruzalem niets te maken, zei hij. Het gaat om ons bewustzijn, om de Here. 
Nu staat de mens in de Here en vervloekt Hem! De mens zegt: 'Ik ben moeder', en ze heeft waarlijk een kind in zich, maar ze voelt er niets van. De mens zegt u: 'Ik hou van u', maar morgen gaat u de straat op. 'Ik kan niet zonder u leven.' Kletspraat! 'Ik móét u heb­ben, ik ga sterven.' Sterf maar, sterf maar ... Indien u een mens kunt laten sterven door liefde, bent u een kosmisch bewuste. Dan jubelt de Christus naar u toe en zegt: 'Ik ben zelf gestorven.' Was Caïphas maar gestorven voor dat ogenblik, hadden de wetten voor de ruim­ten hem maar neergetimmerd daar, dan had hij die woorden niet kunnen spreken. 
Tweeduizend jaar zijn er voorbij en de Caïphas leeft er nog, de Caïphas staat nog op zijn voetstuk. Iedereen die een taak voor de wereld aanvaardt en die de ontwikkeling van deze mensheid tegen­houdt door kunst, door rechtvaardigheid, wetenschap, die vertegen­woordigt het gevoelsleven van de Caïphas. 

Voor kunst en geloof krijgt de mens universele betekenis, Godde­lijke wijsheid toebedacht, want ge zijt Goden. Elk ding wordt een deel van deze Godheid, van dit denken en voelen, van de ziel, van de geest, van de vader en de moeder. Begrijp goed, dat wanneer ge nu nog met uw dominee en uw pastoor, uw kardinaal, uw paus spreekt en u zegt: 'Ik ben ... ik ben tot u gekomen met het Goddelijke gezag en het bewustzijn in mij van de Messias, ik ben de nieuwe Christus', dan wordt u bewust midden in uw gezicht uitgelachen, want dat willen ze niet kwijt. Wát willen zij niet kwijt? De Christus zei: 'Ge zult uw leven verliezen en dan zult ge het Mijne ontvangen.' Nee, dat goud, dat zitje daar, dat zitje en dat manteltje en die hoge hoed, die smaragden om de vinger, die u zo kunt kussen, dát is het! Uw huis, uw schoonheid heeft niets te betekenen, maar uw bezit, uw afbraak in gedachten ... 
Miljoenen graden en werelden stormen er thans op u af, die vra­gen om ontleding, eerst dán leert ge uzelf kennen. Aanstonds 'ach­ter de kist' ... Mijn God, mijn hemel, ruimten, engelen, meesters, geef me de tijd dat we dit kunnen ontleden, want we staan voor Caïphas. Ja, we staan voor de Caïphassen in de menselijke maatschappij. Hier in Den Haag, in Amsterdam, op de hele wereld, New York, Parijs, Londen, leven Caïphassen. Het gaat niet om dat joden­schap, om het jood zijn; het gaat om een menselijk, natuurlijk, ruim­telijk geloof. Joden bestáán er niet meer. U bent, u zijt door het jodendom tot het priesterlijke, geestelijke denken en voelen geko­men. De jood zal in u sterven, omdat gij - jazeker, waar het ons om gaat en de Christus voor geleefd heeft - de Messias in u zal geboren worden! En als u dát gaat voelen, als u dát gaat begrijpen, als u elke gedachte het Christelijke, het ruimtelijke, Goddelijke gevoelsleven wilt schenken ... Mijn God, mijn God, als u het gekerm hoort van uw karaktereigenschappen, die dan door die verkeerde, koude, ij­zige gevoelswerelden worden geslagen.

Als u ziet hoe zo'n karakter vecht om het goede te aanvaarden, want de ziel stuwt altijd, de God­delijke bron in u die wil altijd stuwen en bezielen. U moet dat ge­kraak eens beleven wanneer u als mens voor het goede en het verkeerde wordt geplaatst. Dat is een gevecht op leven en dood! En wanneer u dat gevecht niet wilt aanvaarden, wanneer u nog niet aan dat gevecht wil beginnen - nou, u ziet wat er van Caïphas is terecht­gekomen. Hij wil niet, nietwaar? Hij wilde niet, maar in Caïphas leeft reïncarnatie. Hij zal dan eens moeten bewijzen waarom hij het Goddelijke, ruimtelijke evolutieproces een halt heeft toegeroepen. 
Christus gaat van de aarde weg. Hij laat Zich slaan, Hij komt voor Caïphas en Caïphas zegt: 'We zullen Hem wel krijgen.' Nu komt die arme Judas in het gareel, Judas treedt naar voren. Ze ko­men in het hof en daar gaat Judas, die gaat zijn Meester verraden met een kus. 'Nee', zegt Judas, 'en nu zal ik Je dwingen. Nu zult Ge die vervloekte lage, onbewuste wereld eens bewijzen wat Ge kunt, Meester.' 
Christus kijkt naar een klein kind. 'Zo, waarom zijt ge tot Me gekomen, waarom liet ge Mij niet met rust?' 
'Geef de mens maar wijsheid', zei de Christus, vroeg Hij Zichzelf af, 'al geef Ik Mijn leven en geef Ik Mijn hart, dan is het nog niet genoeg. Nee, ze willen Mij over de brandstapel sturen die Ik niet moet, want Ik beleef andere brandstapels.' 
Daar staat weer, als die bijbel opnieuw wordt geschreven, daar staat weer: 'Blijf met uw handen, uw gedachten, uw gevoelens van Mijn leven af, Ik heb Mijn eigen taak. Ik zal die taak volbrengen zoals Ik het moet doen.' 

Miljoenen boeken liggen hier voor ons, wijsgerige stelsels liggen in Gethsemané, liggen daar bij Pilatus, liggen in Jeruzalem opgesta­peld en de mens ziet ze niet. Waarom niet? Omdat die wijsgerige stelsels nog ontleed moeten worden. Daarvan had Socrates en Plato niets. Dat zijn ruimtelijke fundamenten. Maar gij hebt u af te vra­gen, als Judas, als Caïphas, als Petrus - dat is toch het voorbeeld, dat waren toch kinderen, die begonnen toch te dienen -: 'Waarom be­moeit ge u met mij, waarom wilt ge mijn denken veranderen ten opzichte van uzelf?' Dat is: doe het ZÓ, nee, zó moet je dat doen. En dan loopt de mens: 'Ik wil dat ge het zó doet.' 'Nee', zegt de mens, 'dat is verkeerd.' Laat die mens dan toch verongelukken, dan weet hij het. 
Ja, de wetten worden hard, de wetten worden streng. Dacht ge dat dit geen zelf tuchtiging was, toen de Christus Zich liet slaan in dat hol daar van Jeruzalem, toen de beulen tot Hem kwamen? Toen zei Christus: 'Sla Me maar, dan heeft dat andere niets meer te zeggen.' Want zó hoort het. ( ... ) Niet één woord zei Hij, er kwam niets over Zijn lippen! 
Ga eens naar de maatschappij, ga eens naar de mensen kijken die schrijven, die over û iets kunnen vertellen. Treed eens voor het voet­licht van uw maatschappij, dan wordt ge beroddeld en geslagen. Ja, u bent God zij gedankt zover dat men de zweep niet meer kan ne­men, u kunt zeggen wat u wilt. In die tweeduizend jaar is er iets gebeurd, maar voor vijftig en honderd jaar terug ging ge, werd men, plaatste men - doordat men God liefhad - op de brandstapel en liep uw vet, uw bloed weg. 
In deze tijd staat ge voor Caïphas. Caïphas heeft het niet gewild. 

Laat dit voor u een wet zijn, een rechtvaardigheidswereld! Caïphas wilde niet, Pilatus niet. Ja, daar zijn ze gegaan. Judas wist het op hetzelfde ogenblik, toen hij in de ogen keek van het Goddelijke gezag en zei: 'Er is maar één ding voor mij: eruit, ik hang me op.' Ja, toen kreeg hij opnieuw leven. Hij zag nog even dat hij leefde en toen kwam hij voor de reïncarnatie, de wedergeboorte, want hij heeft goed te maken. U kunt het in 'De Volkeren der Aarde' lezen en beleven, opnieuw ... opnieuw die strijd ondergaan van Judas. 
Maar daar staat Caïphas, wat heeft hij gedaan? Dan zult ge een ander gewaad ontvangen, een ander licht, een andere wereld, een nieuwe geboorte. Ja, daar staat hij in het hart van Duitsland, om het joodse gevoelsleven ... ? Nee, wij hebben ontzag voor het geloof dat de Moeder Natuur tevoorschijn bracht, het eerste geloof, het joodse ras, het jodendom. Nee, om u van het verraad los te timmeren, los te maken en het ruimtelijke, waarachtige, de geestelijke evolutie op te zetten, voor uzelf, voor uw maatschappij, voor de volkeren der aarde. 

Caïphas dáár kwam terug naar de aarde, u ziet het. Waarom hebt u geen medelijden met het joodse ras? Maar hebt medelijden met uzelf. Nu staat het joodse kind, nu staat Jeruzalem voor een waarlijk gevecht. Het katholicisme, het protestantisme, het soefisme, boed­dhisme, mohammedanisme, theosofie, dat heeft nog niet eens wat, dat heeft maar franjes opgebouwd. Dat staat ook weer voor de Caïphas, voor het jodendom? Nee, voor de metafysische leer, de metafysische wetten en rijden op een wit paard door de maatschap­pij. Die willen de ezel niet aanvaarden waar Christus op ging zitten; de eenvoud, een ezelt je, met een palmtak, met vrede en geluk en welzijn, nee, dat zit hier en zegt: 'Wij weten het.' Een nieuwe Caïphas is ontstaan. Hebt ge verleden het gevecht dat André voerde tegen de theosofie dan niet gevolgd? En ze zeggen: 'Dat is een demon, die moet kapot.' 
Vijf jaar lang staan we hier en bulderen het uit: 'Twijfelt ge nog langer aan het gevoelsleven waardoor de ruimte is ontstaan en de kinderen van Christus het levenslicht ontvingen?' Denk eens even dóór wat u hebt te doen, vandaag, morgen, overmorgen, over twee we­ken, over twee eeuwen bent u gereed. U beleeft uzelf eeuwigdurend. 

Nu komen wij terug tot de maatschappij en hebben te aanvaar­den: u behoeft niet angstig te zijn dat dit leven wéér over uw hoofd komt, dat gebeurt slechts één keer. Maar daarin leven de Caïphassen; ja, het verraad, het menselijke verraad dat een geloof krijgt, dat een gevoel krijgt, een godsdienst. Wat verbeeldt zich de katholieke kerk, dat het méér is dan het jodendom? Het joodse geloof is rein en zuiver, maar het moet ophouden om het onschuldige lam te killen en te slachten; dat zijn allemaal franjes. En u, de menselijke maat­schappij met zijn franjes, u leeft onder uw luchtkastelen. Lucht­kastelen heeft men opgebouwd. Men aanvaardt en eerbiedigt een maatschappelijk gezag. Men aanvaardt maatschappelijke rechtvaardigheid en dan staat ge voor uw koningen en keizers, die niet anders kunnen dan bevelen geven om het andere kind van een ander volk neer te knallen en af te slachten. Dat is uw bezit, dat is uw rechtvaar­digheid, dat is een kroon. 
Caïphas heeft aangetoond: vergrijp u niet aan de hogere gedachte die u tot Jeruzalem kan voeren. Caïphas ... heeft u geleerd hoe te moeten leren denken, wilt ge terug naar Gethsemané, wilt ge gaan staan voor uw koningin, uw vaderland, uw kerk en vorst? U hebt met geen kerk en vorst te maken; u bent het zélf, áls uw gedachten het Goddelijke gareel hebben aanvaard, de harmonie hebben begre­pen, wanneer u wilt zijn: leven, licht en liefde. 

Wij hebben niets tegen Caïphas. We hebben niets tegen het jo­dendom, maar het bedrog, de afbraak, die moet uit dit leven van­daan, dát moet weg. Ge zult openstaan voor een nieuwe tijd. Ge zult gaan begrijpen dat ge hier maar tijdelijk zijt, dat dit niets heeft te betekenen. Ge zult aanstonds leren aanvaarden dat ge méér be­reikt wanneer u zwijgt, dan gij nu voor de wereld doet, want álles wat met deze wereld te maken heeft en wordt begrepen - verstaat u dit? - dat heeft met afbraak uit te staan. Dat heeft te maken ... dat heeft te maken met leugen en bedrog. Dat is Caiphasachtig, dat laat u niet toe, dat wil niet goedvinden dat u een nieuwe orde brengt, een hoger denken en voelen. Dat bestaat niet, u moet kapot. 
Bemoeit u er zich niet mee, maar ga uw weg. Leer zien hoe de karaktereigenschappen door het Jeruzalemse gevoelsleven, volgens de Messias, volgens de wetten van de ruimte en voor God aan de aarde werden geschonken, waarvoor Hij kwam, waarvoor Hij leefde. Voel aan wanneer die wetten tot u spreken en geef ze aan uw vrouw, geef ze aan uw man, maar 'lip' niet, chagrijn niet in dit leven. Het leven is wondervol, het leven is mooi, het leven is oppermachtig indien gij de Christus aanvaardt, indien ge Jeruzalem gaat begrijpen en geen Caïphas wilt zijn. Indien gij kunt aanvaarden dat de evolu­tie komt en voortgang moet vinden, dan kunt ge tien, dan kunt ge duizenden kinderen baren, ge zult nimmer bezwijken, omdat gij het werk doet van uw Onze- Lieve- Heer, omdat gij ... omdat gij uw God, als vader en moeder in de maatschappij vertegenwoordigt! In Geth­semané zult ge neerzitten met u beiden en lieflijk zijn als kleine kinderen.

Waarom maken wij ons zo druk? Waarom zijn de sferen van licht gevuld ... waarom leven ze daar in diepe smart? Omdat ze machte­loos staan, machteloos staan zij voor het geweld van uw maatschap­pij, uw wereld. De Caïphas heeft het goud, Pilatus heeft het. Gaat u maar in de maatschappij kijken en alles dat kastelen bewoont, over uw perzische gewaden stapt en leeft en vol behangen is met smarag­den, dat is róttend. Dat zullen de Goddelijke wetten voor de ruimte, voor de wedergeboorte, voor de reïncarnatie, voor bijbel, Petrus, Johannes en Andreas u bewijzen. Want anders doet u dat niet. U kunt geen menselijk leven, geen menselijke evolutie beleven en vol­gen doordat ge het andere leven kraakt. U kunt door bedrog en afbraak uw Godheid niet dienen, dat is duisternis. Weet dan ook: uw ganse maatschappij is leugen en bedrog, maar vergrijp uzélf niet. Weest u de Messias, als man en vrouw, wórd het, blijf het en eerst dan bewandelt ge een weg die u regelrecht voert naar de sferen van licht. Naar ... naar het hof van Eden? Naar het koninkrijk Gods in ti, omdat de Christus, de Messias in u ontwaakt. 

Indien ge aanstonds 'Jeus van moeder Crisje' leest, dan voelt ge hoe ge moet gaan en zult leren denken. Jeus is nog geen vijf jaar oud, staat-ie voor Golgotha en schreit zich leeg. Ligt-ie in het bos onder de struiken en kan niet belken. Omdat hij zegt: 'Ik sta alleen. En waar is die Lange dan? Verrekken kui', zegt-ie. Als het erop aan­komt dan staan we alleen en dan laat de moeder, de vader, je broers en zusters, die laten je alleen, die laten je staan, ze verraden en verko­pen je. Moeten zij weten. Maar hij belkte, hij schreide. 
Ik schrei ... ook om het hart, om de armoede van de wereld, om de Caïphassen, die de Christus elk ogenblik verdrinken en verzui­pen. Hard? Ja, hard. Gij hebt, de maatschappij heeft niet anders. Altijd weer wordt het goede verkracht, telkens weer. Ze hebben vijf jaar lang armoede en ellende beleefd; Jeruzalem in ondergang, stof­felijke afbraak. Als skeletten liepen de mensen over de straten en toen aten zij uit de hand van Onze-Lieve-Heer, toen kon Hij met een mens iets doen. Toen zeiden ze: '0 ja, vertel me niets. Is er nog een God?' Maar nu? Broeders, moeders en vaders hebben ze afgemarteld, hebben ze gekastijd. De mens die op zijn zeteltje kwam, kende u gisteren nog, maar vandaag, vanmorgen niet meer. 'Wie bent u?'Ja, dat zei Caïphas: 'Wie bent U?' dat zei Pilatus: 'Wie bent u?' De koningen der aarde hebben gezegd: 'Wie bent U?' 

'Gij zegt het. Kent u Mij niet meer?' 
Luister toch niet naar het verraad in uzelf, wanneer de Caïphas zijn kop opsteekt. Dan staat u op een vergiftig serpent, maar nu is het een karaktertrek en dan ontloopt ge het bijbelse gezag, het ruim­telijke, geestelijke weerzien 'achter de kist'. Schrei eens voldoende en fatsoenlijk u leeg - omdat u een fout beging? Nee, schrei eens ... maak fouten elke dag zoveel u kunt, maar schrei eens, besef eens hoe goed u het hebt. Christus schreide niet om Zijn geluk, maar om de armoede van de mens, omdat de ene mens zich vergreep aan het bezit van een ander. Daar hebben wij om geschreid. Dat is beroerd, dat is ontzagwekkend, dat is hard, dat is vreselijk; maar u moet niet om het mooie gaan schreien. Nee, dat moet u niet doen, u moet gelukkig zijn. Ja u moet ... dat geluk, hebt u het niet gezien? 
Hebt u in die tweeduizend jaren die voorbijgingen, die mense­lijke geschiedenis hebben gemaakt, hebt u dan niet gezien dat dit geluk elkéén heeft gesmoord, gekelderd en afgemaakt heeft, op de brandstapel heeft gezet? Waar leven die paus en die kardinalen, die koningen en die keizers? Ze zijn met pik besmeerd en opgehangen, verbrand zijn ze, omdat het geluk in uw maatschappij, het bezit, geen cent te betekenen heeft. Het is bedrog, leugen, afbraak, bezoedeling, gif. Vies ... vies is het! 

Daar wil Christus niets mee te maken hebben. Houdt u het geld maar - Judas had kunnen doen wat hij wilde - dat is de buidel voor de maatschappij. Ze maken er kanonnen voor; afbraak. Ze krijgen medailles. Omdat u een kanon uitvindt, krijgt u een medaille, wordt u geëerd, bent u baron, bent u van adel - maar van binnen stinkt 
het. 
Schrei omdat u het zo goed hebt. Wees dankbaar dat ge eindelijk gaat weten dat ge een plaats hebt gevonden in Gethsemané, maar leer dénken. Leer Jeruzalem te aanvaarden en hoe ge Jeruzalem hebt te betreden, beleef Golgotha. Daar gaan we aanstonds heen, over \'eertien dagen, indien God mij de genade geeft. Dan nagel ik u uit naam van Christus aan het kruis, maar dat moet dan geluk voor u betekenen, anders heeft het geen waarde. Ik wil voor u sterven, ik wil ook voor u leven. Indien ge wilt sterven voor een ander mens, dan betekent dat nog maar zwakte. Maar kunt ge leven voor de mens, zoals de Christus heeft geleefd voor ál Zijn kinderen, voor deze mens­heid, dan is dat Goddelijke verruiming. 
Mijn zusters en broeders, aanvaardt het: degene die naast u zit is een zuster, een broeder, een vader en een moeder van u. Spreek nooit kwaad, er zijn geen verkeerde dingen; alles is leerschap, alles is evo­lutie. U hebt veel voor de maatschappij te leren, omdat de maat­schappij ook een persoonlijkheid wordt, jazeker. 

Wij knallen die wijsheid niet van het toneel af. Dat heeft uw doc­tor, uw professor, de wijsgerige macht ... heeft betekenis, dat wil zeggen: er zijn mensen gekomen, die hebben u weer teruggebracht tot de natuur. Is het niet merkwaardig? Die hebben hun Caïphas, die hebben het geloof, die hebben Jeruzalem al tot ontwaking ge­bracht. Ze zeggen: 'Wanneer ben ik wáár? Wanneer ben ik oprecht? Wat is gevoel?' Ziet u? Word geen parapsycholoog, maar word een psycholoog voor uzélf. Heb lief en dan hebt u het heiligste funda­ment voor uzelf al gelegd. Heb in alles lief. Sta gerust op uw hoofd en wees blij en gelukkig, als u het maar in het goede doet. 
Word mens, word broer, word zuster, word vader, word moeder. 
Bekijk uw kind, maar bekijk uzelf. Zit neer en mediteer, doe het goed. Wanneer de ander u ziet en zegt: 'Ja, jij zit maar', dan moet u zeggen: 'Aanstonds kunt u tien uur, tien dagen, tien eeuwen, tien miljoenen tijdperken gaan neerzitten en ik zal u niet storen. Ik weet voor mezelf dat ik u niet storen zal, ik laat u zitten en mediteren. Ook al zal ik me kapot werken, gij zult mediteren.' Want hij die daar zit, is de Christus. 

Aanvaard elkaar dan toch even als de Messias. Laat de moeder ­man, schepper - voor u een heilige Magdalena zijn. En laat hij zijn de Andreas, de Paulus, de Petrus. Maar weet: voor de aarde kan hij ook nog z'n gekraai uitschreeuwen. Voor de aarde hebben we nog fouten en verkeerde gedachten, omdat wij de geestelijke fundamen­ten nog niet hebben gelegd. Aanvaard elkaar, in licht en duisternis, in leed en smart. 
Wanneer u alles op de wereld hebt - u hebt uw gekus en u wordt gedragen op handen - dan is het geen kunst. Maar wanneer ge met elkaar gaat en ge gaat de dingen voor uw maatschappij ontleden en ge wilt het begrijpen, ge staat midden in de menselijke narigheden, dan zult ge moeten bewijzen wat er aan de hand is met u. Ja, in de oorlog - hoe is het mogelijk - toen ge allemaal waart gebroken, lichamelijk kapot werd gemarteld, toen kon ge innerlijk aanvaar­den, toen boog de mens zijn hoofd: 'Hier hebt ge alles van mij. 0, laat me leven. Hier hebt ge alles, neem het maar mee, ik wil er niets meer mee te maken hebben, maar laat me in vredesnaam leven.' 
Ja, en nu? 'U kunt doodvallen, ik heb u niet meer nodig.' 
Ha ha, de Christus ging over de aarde met boeken, Hij zegt: 'Hier, lees maar.' 
'0, hebt u er nog meer?' 

Over vier jaar - we hebben weer een huis, we hebben weer een bedje, het eten is er weer, we hebben geen angst meer, morgen kan ons niets overkomen, we hebben alles ... -: 'Maak dat ge wegkomt met je Jeruzalem, ik heb het niet meer nodig. Eh ... 'kist'? Achter de dood is er leven? Laat me niet lachen.' Weg zalving, weg fundament! 
Christus wist het. Hij is niet voor niets geweest. Hij zei: 'Als er maar vier, als er drie, als er maar twee, als er slechts één ontwaakt voor Mij, voor God, voor vader- en moederschap, voor de wederge­boorte, dán heb Ik niet voor niets geleefd.' 
Ik zou u willen vragen, ik zou u uit naam van de miljoenen enge­len, uw vaders en moeders, willen toeroepen vanmorgen, hier in Jeruzalem: zijt die eerste, die ene, wórdt het. Zorg dat gij het zijt en gij zult de 'vleugelen' bezitten achter de menselijke 'kist'. 
Meester Zelanus. 



 





Google Analytics Alternative