DE BIECHT. 
Het is voor lichaam en ziel beide buitengewoon schadelijk om rond te lopen met het besef van zijn eigen zonden (d.w.z. onvolkomen instincten) en die onuitgesproken in eigen boezem op te sluiten. Deze gedachten (of dingen) blijven en kweken nieuwe verkeerdheden bij ons aan zolang wij ze niet uitspreken, bijvoorbeeld tegen een beproefde vriend, met wie wij in wezenlijke sympathie verkeren. Doen wij dit niet, dan groeien zij meer en meer aan, ook als wij er berouwvol aan denken: want alles waarmee wij innerlijk bezig zijn groeit door die werkzaamheid! Het eeuwige herdenken van eigen fouten is psychisch nadelig en is ook slecht voor de gezondheid. -- Werkelijk voedsel voor de geest zijn gedachten die zich telkens vernieuwen, nieuwe opvattingen van het leven, een beter erkennen van al wat in en om ons gebeurt! Dagelijks met frisse blik de dingen leren bekijken, dagelijks de plannen, uitzichten en doeleinden van de vorige dag verder brengen, -- dat is de zielentoestand, waardoor de geest in staat wordt gesteld het dagelijkse ,,brood des levens" te ontvangen, dat het lichaam vernieuwt. 

De rusteloos wisselende psyche verandert onophoudelijk de aard en de gesteldheid de elementen, waaruit het lichaam bestaat en kan zo het leven tot in het onafzienbare verlengen. Met andere woorden: is de steeds groeiende en wisselende geest eenmaal in staat zijn ,,prana" -- zijn levenskracht -- op het organisme en zijn zinnen over te brengen, dan blijft de verbintenis tussen hem en het lichaam onverbroken, daar iedere cel van geest doortrokken is. De ,,ouderdom" ziet de dingen meestal, zoals zij vijftig jaar vroeger waren! Gebeurtenissen en personen doen steeds dezelfde gedachten en verbindingen ontstaan; een overbekende geschiedenis wordt honderden malen ten beste gegeven. Zulk een brein wordt niet gevoed met nieuwe denkbeelden, het probeert van de oude te leven. Verval en dood zijn het gevolg! De geest verliest steeds meer zijn heerschappij over het organisme! Het verdwijnend geheugen, de afstompende zinnen, bevende ledematen, het verschrompelend vlees, -- zijn alle tekenen daarvan dat de psyche, die zonder haar ,,dagelijks brood" van nieuwe gedachten gebrek lijdt, haar macht over het lichaam verliest. Om in waarheid te leven, groeiend met de toenemende jaren in geest en lichaamskracht, iedere fase van het bestaan met grotere vreugde doorschrijdend, terwijl de jaren heenglijden, om uiteindelijk de laatste grote tegenstander ,,dood" te overwinnen, -- moet een voortdurend uitscheidingsproces van oude gedachten plaats hebben! Oude gedachten zijn zulke die hun taak vervuld hebben en nu voor nieuwe plaats maken: evenals een bron, die, om zo helder mogelijk water te kunnen geven, eerst van het oude dat er nog in stond, gereinigd moet worden! Men moet de oude denkbeelden uitspreken, om er los van te komen, niet tegen iedereen, alleen tegen de enkele mens in wie wij volstrekt vertrouwen stellen, die wij alles kunnen zeggen, ieder verlangen, iedere neiging, in het goede zowel als in het kwade. 

Mensen, die op zulke manier zonder gevaar met elkander spreken -- tegen elkaar biechten, -- moeten in dezelfde psychische sfeer zijn, elkander intu´tief doordringen, de beweegredenen en elkaars karakter zo helder doorzien, dat er maar weinig woorden voor de biecht nodig zijn. Man en vrouw zijn elkaars beste vertrouwden! Heeft iemand een neiging tot liegen of stelen of wordt hij getrokken door een andere minder edele drijfveer, dan zijn de elementen van leugen en diefstal ook reeds in vlees en bloed en spieren overgegaan! Wordt de geest hiervan gezuiverd, dan worden ook vlees en bloed fijner en beter samengesteld. Iedere werkelijke zonde, die door het bewustzijn wordt vastgehouden, brengt het lichaam op de één of andere wijze nadeel of onrust. Wij allen hebben tegenwoordig nog sommige, meer of minder schadelijke, overtuigingen, vooroordelen en stemmingen in ons, waarvan wij het schadelijke niet eens vermoeden! Alle verkeerde opvattingen kunnen ons niet opeens worden geopenbaard. Die openbaring moet langzamerhand komen, van dag tot dag, van jaar tot jaar! Ook kan de herkenning van onze verkeerdheden niet door anderen tot ons worden gebracht. Het besef van eigen schuld moet van binnen uit ontstaan. Dan komt ook eindelijk het inzicht, als een openbaring Gods. Dat is de geest van het Oneindige bewustzijn, die in ons werkt, zo dat wij ons voelen als straaluiteinden ener onzichtbare zon. 

Het Oneindige ontsluit onze ogen voor de vlekken, scheuren en wonden van onze geest, die wij moeten kennen om ze te kunnen verbeteren. In plaats van ontmoedigd te worden doordat wij verborgen fouten bij ons ontdekken, hebben wij veeleer oorzaak tot blijdschap, evenals de zeeman blij is het lek gevonden te hebben, waardoor zijn schip anders zeker gezonken zou zijn. Als wij ze erkend hebben, zijn onze fouten al ter biecht gebracht! Zijn wij eenmaal zover dat wij onze dwaze trots bedwongen hebben, die niet naar het ,,lek" zoeken wil, dan zijn wij een grote schrede voorwaarts gegaan op het pad naar het eeuwige geluk. Dan zal het Oneindige bewustzijn aan onze tweede behoefte tegemoet komen en ons degene zenden aan wie wij kunnen biechten! Die mens zal geen vreemde voor ons zijn, maar één die, evenals wij, in staat is nieuwe gedachten van het Oneindige in zich op te nemen en ook hij zal er vurig naar verlangen ons zijn fouten te bekennen, evenals wij aan hem. Niet de biecht van de uitgesproken leugen, of de begane diefstal zelf, of van andere zonden is het eigenlijke, maar het bekennen van de voortdurende verzoeking of neiging om de zonde te begaan! Wij kunnen onze vertrouwde vriend bijv. zeggen: ,,Ik weet dat ik een neiging heb tot liegen of tot overdrijven; als er van personen of gebeurtenissen sprake is.

Ik wil het veel liever niet doen. Het ligt in 't geheel niet in mijn bedoeling als ik er over begin te spreken, maar in de opwinding van het gesprek ontvallen mij dan zulke onware gezegden en sterk gekleurde beweringen tegen mijn zin. Mijn hoger zelf keurt dit sterk af en herinnert mij er aan als ik weer alleen ben, hoe ik de dingen weer verkeerd heb voorgesteld." Of: ,,Ik heb een neiging tot stelen, misschien ben ik nu juist niet wat men een gewone dief noemt, maar er zijn ook andere vormen van stelen. Mijn beter geweten veracht deze neiging en ik wil er van bevrijd worden". Of ook: ik voel mij haatdragend en jaloers als ik sommige mensen zie -- het noemen van hun namen alleen vervult mij met tegenzin". Of: ik haat de rijken -- als zij voorbij rijden voel ik wrok bij mij opkomen. Zulke gedachten doen het lichaam schade en bezorgen het ziekten, zo zeker als dat vuur vlas vernietigt. Wij zijn van die gedachte nog niet bevrijd, als wij anders proberen te voelen! Dat is zelfbedrog. Wij zijn eenvoudig niet in staat ze te veranderen. Veel beter is het rechtuit in ons binnenste te kijken, te bekennen wat wij daar ook mogen vinden en eerlijk te zeggen: ,,Ja,ik ben jaloers! Ja, ik voel haatdragendheid!" 
Prentice Mulford.  







Google Analytics Alternative