57 LEZINGEN. EEN HOOFDSTUK UIT DE 57 LEZINGEN GEHOUDEN DOOR JOZEF RULOF IN HET GEBOUW 'DILIGENTIA' TE DEN HAAG IN DE PERIODE 1949-1953. MEESTER ZELANUS NAM BEZIT VAN ZIJN LICHAAM EN SPRAK DOOR JOZEF RULOF. (ANDRÉ) 
GOD VERDOEMT NIET: 
Goedemorgen, mijn zusters en broeders. De vorige lezing bracht u naar hetgeen wij vanmorgen tezamen gaan beleven en dat is: God verdoemt niet! Waarom aanvaardt u langer deze leugen? 'Gij houdt uw evolutie maar tegen. En nu hebben wij te aanvaarden dat de ruimte, de bijbel en deze mensheid door de angst die de meesters tot stand hebben gebracht aan handen en voeten zijn gebonden en dat weer opnieuw moet worden opgeruimd. Door de vele zittingen... de wandeling door de ruimte die wij tezamen hebben mogen beleven, het begin van de schepping, zon, maan en sterren, het ontstaan, het voortstuwen, de bezieling, het eigen manifesteren van de Albron bracht ons naar de wandeling die ging door deze ruimte en eindelijk konden wij de planeet aarde in onze handen nemen. De miljoenen - ik gaf u dit beeld - die deze weg moesten volgen, kwamen uiteindelijk op aarde en konden hun kringloop der aarde volbrengen. Wij hebben een reis gemaakt naar het Goddelijke AL.

Ik heb u verklaard hoe de eerste mens begon te denken. Hoe in hem het verlangen kwam om de mens die achterbleef op aarde tot zijn leven op te trekken en hem te vertellen: 'Ik lééf, ik ben waarlijk bezield. Ik ben ziel, geest en leven, maar ik bezit hierin, in deze wereld, een eigen persoonlijkheid.' En dat moet de mens voelen, dat moet de mens zich eigen maken; dit is het essentiële voor al het leven door de Albron ontstaan'. Ik verbind u vanmorgen met vier taferelen die noodzakelijk zijn om u die verdoemenis te ontnemen. In de eerste plaats heb ik dat kunnen doen doordat wij de wetten, door de ruimte, door de Albron ontstaan, hebben mógen volgen. Wij konden graad na graad beleven. Wij zagen het eerste embryo, we zagen het visstadium en eindelijk kwam het leven uit de wateren en aanvaardde het landelijk bezit, landelijk bewustzijn, een nieuw organisme. Wij konden verdergaan, omdat de voorzienigheid telkens weer een nieuw fundament had neergelegd om dat leven voort te zetten, waarvan de verruiming in ons kwam en waarvan wij hierna de wijsheid ons eigen konen maken. Doordat wij leefden kregen wij verruiming; en alleen door vader- en moederschap -- dat is u duidelijk geworden -- heeft God, de Albron, Zichzelf gemanifesteerd. De mens béreikte de sfeer 'achter de kist'. Hij begon te denken. Hij bouwde voort, hij zag dat het leven op aarde alleen stond. Kinderen zijn het, ook al was de mens volwassen, de mens vóélt zich naar en door zijn sfeer, naar het gevoelsleven dat in hem tot bewustzijn is gekomen. De mens die 'achter de kist' een zelfstandigheid heeft te aanvaarden, die - zoals Mozes begon, zoals een ander kind kwam, Abraham - mens die ging voelen: 'Mijn vader en moeder leven dáár, mijn kinderen, miljoenen mensen.

En die weten van niets af en ik leef!' Die mens begon fundamenten te leggen voor zichzelf, voor ziel, geest en stof en had het verlangen om nu eindelijk eens iets te gaan doen. De rest ging verder, miljoenen zielen zijn gereed, u werkt daar- die zich vrij had gemaakt van de stof, van het lichamelijke denken, van de wereld, de planeet; die kon ook geen stoffelijk gevoel meer in zich opnemen. En dat kunt u weer met uw eigen leven vergelijken. Waarom vliegt u niet over de aarde? Waarom zit u hier? Waarom verlangt uw ziel, uw persoonlijkheid naar geestelijke bewustwording? Waarom wilt ge uw evolutie voortzetten door de wijsheid die dan uit de ruimte tot u komt? Dat is het bewustzijn, dat is uw verlangen; dat is uw fundament voor het leven 'achter de kist'. En daarin bent u nu gereed, daarvoor hebt ge boeken gelezen. Als kind lag het reeds in u. U hebt zich die wijsheid eigengemaakt. U behoeft niet meer te vragen: waarom heb ik dit, waarom heeft dat andere kind niet? Waarom kunt gij uw vrouw, uw vader, uw moeder, uw vriend, uw broeder, uw zuster niet meer bereiken? Die zijn nog niet zo ver en wordt ons aanstonds duidelijk. U kunt straks hameren op dat beeld, u kunt het bebeeldhouwen. U kunt alles doen, uw krachten inzetten, maar de mens vertikt het. En dat is een fundament waar wij aanstonds voor staan. Dat is een trede die onder uw voeten, uw gevoel, uw gevoelsleven bezwijkt. Dat zullen wij zien, want wij komen terug tot de menselijke maatschappij.

We komen terug tot het leven waartoe gij behoort en daarin maken wij ons vrij, daarin bouwen wij fundamenten. Wij nemen 'de kist' weg, de dood verdwijnt voor uw ogen. U krijgt de reine, universele voorzienigheid, voor u, in u, dat wordt u zélf. En dan ligt de verdoemdheid aan uw voeten neergeslagen en uit elkaar gerafeld, maar u bent zegevierend, altijd, eeuwigdurend! U zult weten wat u doet, zult u weten aanstonds wat u zegt. Want daarheen gaat het, daarheen voer ik u, opdat gij eindelijk zult beseffen dat gij deel zijt van die Albron, die alles is, die vader en moeder wil zijn in de allereerste plaats, maar daarnaast de altruïstische gevoelens bouwt voor elke karaktereigenschap, of u bent nog niets. U zult zijn als een stralende schoonheid, zoals zij dat hebben kunnen aanvaarden, zoals zij dat hebben kunnen zien. U zult uw gedachten ruimte schenken. U zult zien dat elke gedachte een sfeer, een wereld, een hemel is. Maar wanneer u daar iets van afhaalt door lager denken en voelen, terug naar de stoffelijke substanties, dan breekt u dat fundament voor de ogen van uw Albron weer af en kunt ge opnieuw beginnen! De mens die de eerste sfeer, de tweede, de derde en de opvolgende werelden had bereikt en de zevende binnentrad, kwam in harmonie met de mentale gebieden. De mens die kon nu zeggen: 'Kijk, wat heeft de Albron, wat heeft de Almoeder tot stand gebracht?

Er is geen verdoemdheid ontstaan, want wij werden nergens verdoemd.' En toch, ze konden hun levens beleven. Ze konden terugkijken in hun verleden. Ja, aanvaard het toch! U begint met een tijd die twee. .. die negentienhonderdvijfig jaren telt, heeft opgebouwd, tot een geheel heeft gemaakt. Maar daarvoor hebt ge reeds honderden... honderdduizenden tijdperken beleefd, óók als man en vrouw. Die wetten hebt ge kunnen vaststellen, die wetten hebben wij door de ruimte, door de planeten, door leven en dood moeten aanvaarden. Er is geen voor, geen links, geen hoog, geen achteruit, alleen een voorwaarts gaan! Regelrecht door 'de kist'. U staat er bovenop en u kijkt naar uzelf, naar de beenderen. Miljoenen liggen er voor u en die hebben geen betekenis meer, omdat ge dit Goddelijke gebouw, waarin u nu en thans weer leeft, hebt ontvangen om uw leven tot de evolutie voor de ruimte te voeren. Er is alleen een lichaam nodig, dat kasteel dat een tempel is, om u die fundamenten in uw handen te leggen. Dat hebben zij moeten aanvaarden die de kringloop der aarde hadden volbracht. En toen zij de zevende sfeer hadden bereikt en de vierde kosmische graad gingen opbouwen, toen - vertelde ik u verleden - kwam dat contact tot stand en zei de hoogste: 'Wat hebben wij te doen? Hoe moeten wij handelen? Wat is het doel van dit leven? Wij moeten terug naar de aarde.

We hebben gezien dat in de ruimte geen verdoemdheid is, maar we hebben die mensen vastgeklonken aan het stadium: buig u! We hebben angst in deze levens gelegd. Hoe komen wij uit die angst, uit die verdoemdheid vandaan? Hoe kunnen wij de mens, het kind van de aarde dat daar leeft, dat vastzit aan verdoemdheid, afbraak en angst, hoe kunnen wij dit kind weer optrekken tot een nieuw, ruimtelijk gevoelsleven, een nieuw bestaan?' En dat bestaan is eeuwigdurend. Dat bestaan gaat terug naar het Goddelijke Al, waar dat leven de Albron, de Almoeder, het Allicht, het Alleven, de liefde zal vertegenwoordigen! Wat is liefde? vroegen zij zich af. De mens spreekt op aarde, daar in die sfeer, over liefde: 'Ik heb u lief, ik hou van u. Ik zal alles... en ik zal dit...' Maar de liefde - hebben zij kunnen aanvaarden - is een wét. En die wet is weer een harmonie, is een stelsel, is een doorbraak, is een fundament die u in vader- en moederschap ziet, door vader- en moederschap beleeft en ontvangt. En daarom is dat organisme waarin u leeft leven, ziel en geest. Een oneindig kasteel, een oneindig Goddelijk, ruimtelijk bezit, maar door de mens zélf nog niet wordt begrepen. Hoe Goddelijk schoon de mens zich ging voelen toen hij de eerste sfeer had bereikt, kunt u nog niet begrijpen. Wat de mens is - dat zal ik u straks door de andere lezingen die volgen - in werkelijkheid is dat voelt u nog niet. U begrijpt de wijsgerige stelsels nog niet van uw eigen kasteel, laat staan van uw denken en voelen, dat ijler en ijler en ijler wordt.

En eindelijk kunt zeggen: 'Ik ben in harmonie met dit', zoals ik zei: met de bloemen in de ruimte. En nu is het dier van de ruimte in staat om op uw handen neer te zitten en te zeggen: 'Deze boodschap is van haar.' En dan kijkt u in de ogen van een vogel, met deGoddelijke kleuren omrand, een gewaad zoals de Albron zichzelf heeft opgebouwd en dan zegt het dier, tjilpend en zingend tot uw hart: 'Aanvaard mij', en dan daalt ge af. Zeker, ge wordt als kleine kinderen. En dat kind-zijn wil weer zeggen: u zult met een buigend gevoelsleven de wet beleven waarin gij nu zijt gekomen. Dat hebben zij daar kunnen aanvaarden, dat hebben zij in zich opgenomen, de mensen die vóór u op aarde hebben geleefd. De mens die u het leven gaf, de mens die u een voetstap gaf, de mens die een weg heeft gebouwd waarop gij zoudt gaan, de enige die door de Albron werd geschapen. In de sferen van licht, in de zevende sfeer, op de vierde kosmische graad, op de vijfde, op de zesde en op de zevende, dat de Goddelijke Albron is, hebben zij die wetten moeten ontleden. Zij hebben plaats moeten nemen in de natuur, zij moesten dat éénzijn ondergaan. Zij hebben zich neergezet en gevraagd: wat hebben wij te doen? En toen kwam de Meester - dat dan later de Messias, de Christus zou zijn - tot het woord, de eenheid met Zijn Albron en kon Hij zeggen: 'Wij hebben op aarde waarlijk wijsheid gebracht.

Wij hebben op aarde het begin gemaakt voor een menselijk-ruimtelijk geloof. Maar we hebben de mens vastgeklonken aan iets dat - indien dit niet wordt verbroken - hij regelrecht in een duisternis staat en zich er zelf niet van los kan maken, indien wij die middelen daar niet bouwen.' En nu staat het Goddelijke gezag voor de menselijke verdoemdheid, die er niet is. Toen zei Christus: 'Het is dringend noodzakelijk, wanneer Ik daar terugkeer, om met hen die Me zullen volgen deze wetten te bespreken.' En toen Christus... daarvan vertelt uw bijbel niets, want ze hebben de woorden die Hij tot Zijn apostelen sprak niet kunnen opnemen. Dat bleef in Johannes, dat was voor Petrus, Andreas en dat was voor de anderen. Maar kunt gij dit aanvaarden dat de Christus hier, tussen Galilea en de kleine lieflijke plaatsen die daar tot stand waren gebracht, Zijn wandeling vervolgt over de aarde....tussen rogge en de wetten van Moeder Natuur Zijn gang voortzette en Zich gereed maakte om die mensheid op te vangen... sprak over die verdoemdheid? De anderen zijn hier. U kunt Hem daar voor u zien, de Messias. Wandelende, kijkende naar de ruimte, het leven dat Hem aanschouwt, dat Hem aanvaardt! Hij staat stil met Johannes... Hij legt Zijn linkerhand op de schouders van Johannes; Johannes die kijkt. Hij zegt: 'Kijk, Johannes, gij zijt de gevoeligste. Kunt ge Mij aanvaarden? Dit alles is openbaring, dit alles is evolutie. Zeer zeker ben Ik niet in staat om deze wetten te verklaren; Mijn tijd, Mijn leven is te kort.

Maar dat zullen anderen doen. Johannes, Ik kom uit een bron waarmee Ik één ben. Ik kom vanuit het Goddelijke gezag, de Goddelijke ontwaking. Ik heb God als vader en als moeder leren kennen. Wij móésten beginnen om de mens een geloof te schenken. Gij kent de geschiedenis van Mozes, ge weet hoe het Huis Israël is ontstaan. Maar deze angst, de angst om het leven te mismaken, Johannes, is opgebouwd, is opgestuwd. Dat heeft men bebeeld en vervormd, het is een rijzige gestalte geworden en nu zit de mens aan een eeuwigdurende verdoemdheid vast. Ik zal niet in staat zijn om dat de mens weer af te nemen. Want gij voelt wel, Johannes, Ik kan de eerste fundamenten slechts leggen voor het Goddelijke, uw Vaderlijke evangelie. Ik kan alleen de nieuwe fundamenten plaatsen. Maar de andere, die opstijgend een Tempel zullen vertegenwoordigen en optrekken, die fundamenten komen eerst in een later tijdperk en zijn wij teruggekeerd tot de sferen van licht, van liefde en leven, geluk, zaligheid en rechtvaardigheid.' Johannes kijkt... De apostelen wachten daar. Petrus denkt: 'Wat heeft de Meester nu weer?' En wanneer de Christus tot Johannes zegt: 'Vertel het aanstonds... vertel het eerst, Johannes, wanneer Ik er niet meer ben. Wanneer Mijn taak voorbij is, vertel dan en leg dan óók de eerste fundamenten. Want kunt gij tot in het Goddelijke Al, het Goddelijke bewustzijn, denken en voelen kijken, hoe de eerste werking is geboren? Hoe de eerste gedachten vanuit de Albron ontstaan en uitgezonden, zichzelf hebben kunnen verstoffelijken? Dat kunt gij niet! Daarvoor hebt ge ruimten te overwinnen!

Daarvoor zult gij zon, maan en sterren in u op moeten nemen. Gij zult het leed, het gevoelsleven van miljoenen mensen moeten dragen, wilt gij éénzijn met Mij en met Hem waardoor wij zijn... De Vader in de hemel. Gij zult élke gedachte van die miljoenen mensen moeten opnemen en willen dragen, in uw hart sluiten. Eén verkeerde gedachte en ge zinkt zelf terug en stemt u weer af op dat wat gij niet meer wilt zijn en gij reeds hebt overwonnen, maar niettegenstaande dat tóch weer terugvoert, omdat gij het verkeerd ziet en beleven wilt.' En dan staat de Christus op de aarde met beide voeten en moet aanvaarden dat de mensheid in een duisternis is geplaatst. De mens zit vast aan zijn angst. Aan zijn geloof? Jazeker! Men heeft het zo opgevoerd, zelf zo tot de ruimte gebracht; dat hebben die meesters, dat hebben die kinderen, die vaders en moeders niet bedoeld. Zij hebben alleen gezegd: 'Wij zullen de mensen angstig maken. Doe niet verkeerd, want gij breekt uzelf af! Wanneer gij daar en daar heen gaat en gij wilt dat leven zo aanvaarden en ondergaan, dan bouwt u aan duistere machten en krachten. Maar wanneer ge daarvan vrij wilt zijn en blijven, voer uzelf dan naar de ijle klanken, het timbre voor de Almoeder. En dan zal elk woord bezielend zijn, uw leven vertolken en de zin, het gevoel en de ruimte afmaken, zodat gij nieuwe fundamenten hebt gelegd.' Maar dat hebben die mensen niet gekund. Ik heb u duidelijk gemaakt dat men de mens ging beïnvloeden; alleen: 'Doe dat niet', en 'láát dat', want gij breekt u af. God zal u straffen. 'Ja, natuurlijk straft de ruimte u.

Natuurlijk, wanneer gij een mens vermoordt, bewust in al zijn heilige zaken verkracht, bewust vernietigt door de praat die gij van het leven hebt te zeggen. Dat is die verdoemenis! Dat moest en dat zou oplossen. Die angst heeft een figuur geschapen, is een muur geworden die niet meer omver te werpen is, niet meer te overwinnen is. De mens heeft het opgestuwd en bezield. De mens heeft er zelf vuur van gemaakt, omdat de angst, het gevoel: doe dat niet, de Here straft u en dan zijt gij eeuwigdurend mismaakt.  In het begin - jazeker - vonden de meesters dat ontzagwekkend. Maar is het niet droevig, is het niet verschrikkelijk dat ge de mens moet slaan, omdat ge de mens zult bereiken? Omdat ge de mens wilt bereiken en wilt beschermen, moet ge hem slaan. Ja, met een zweep? Nee, met woorden: 'Dat de Here straft u.' En het is waarachtig waar dat de mens zelf voor zijn leven, zijn maatschappij, zijn kerk, zijn godsdienst, zijn geloof een verdoemenis heeft geschapen, die die meesters niet hebben gewild! Dát niet, dat zou het niet zijn! Maar u ziet het: zo waar dat de roddel, de kletspraat van uw maatschappij mensen heeft gebrandstapeld die niets en niets hadden gedaan, mensen hebben opgehangen voor het gezicht, het aangezicht van de wereld, van uw maatschappij, mensen hebben gekerkerd, mensen levend hebben begraven. Omdat één mens begon kwaad te spreken van die mens, heeft de massa zich kunnen uitleven, omdat het dierlijk instinct ontwaakte.

En daar zijn nu de mensen uit de eerste, de tweede, de vierde, de vijfde en de zevende sfeer, de vierde, de zesde, de zevende kosmische graad. Al die biljoenen cellen van God moeten nu aanvaarden dat de mens zichzelf in de duisternis heeft getrapt. Er gingen tweeduizend jaar voorbij bijna en nóg - hoe bestaat het, hoe is het mogelijk - na tweeduizend jaar aanvaardt men nog verdoemenis, terwijl daarnaast een Goddelijk fundament ligt dat zegt: 'God is een Vader van liefde!' Hoe zijn die mensen tot die Goddelijke bron, die liefde, dat licht, dat leven, die wijsheid, die persoonlijkheid gekomen? Naarmate zij de wetten, de stelsels voor de ruimte gingen ontleden, gingen beleven, zagen zij: indien wij goed doen, indien wij één weg bewandelen, geen links, geen rechts, geen vooruit of achteruit, maar deze weg in de richting naar het Goddelijk gezag, liefhebbend, welsprekend, harmonisch vader- en moederschap ondergaan, gebeurt er met ons niets, niets, niets! Alleen geluk en zaligheid zult gij krijgen. Alleen de ruimte zal tot uzelf spreken: 'Er gebeurt niets!' Er kan niets gebeuren. Dat was de mystiek, dat was het gevoelsleven. Dat was de priester, de priesteres die zei: 'Hij... wie dat ook is daarboven en wie het ook is die men God, die men Ra, die men Ré, die men Amon-Ré, die men Allah noemt. Wie dat ook is... wij hebben voor onszelf kunnen vaststellen, wij hebben voor onszelf kunnen uitmaken doordat wij de wetten zien, doordat we het leven hebben kunnen bepeilen - Die is alleen licht, leven, vader- en moederschap, maar wil liefde zijn!'

De enorme strijd die de meesters hebben gevoeld toen zij de zevende sfeer betraden, de smarten die zij moesten opvangen, omdat zij zagen: 'Mijn God, mijn God, wat hebben wij gedaan?' was zo afschrikwekkend, zo afschrikbarend en in geen vergelijk met hetgeen de bijbelschrijvers later zouden voelen en hadden te aanvaarden. De schrik sloeg hen in de ogen en ontnam hen het universele licht. Zij konden niet meer zien, ze waren blind van smart, omdat zij zagen en hadden te aanvaarden: mijn God, mijn God, wat hebben wij gedaan? De mens gaven wij een woordje: wees toch zuiver, wees toch lief, wees rechtvaardig, wees harmonisch. Wij hebben die massa angstig gemaakt en nu is het verdoemenis! Verdoemd te zijn, voor eeuwigdurend. .. is waanzinnig! Een gek in uw krankzinnigengesticht beleeft deze werkelijkheid niet eens. U kunt nu doen wat u wilt; breekt u maar af, hoer en snoer en doe wat u wilt, dat is niet zo erg als eeuwigdurend verdoemd te zijn. Beseft gij dan niet meer als mens dat dát niet kan? Dat dát het aller... uiteindelijke, het uiterste is als een God van liefde tot ons spreekt? Mijn God... Satan, verdwijn dan uit deze ruimte, indien gij uw leven zo wilt slaan. De meesters liepen daar waarlijk jaren en jaren, eeuwen liep de één na de ander, de één liep de ander voorbij: 'Ik heb het licht, ik heb het leven, ik heb de liefde... moet je dat zien, dáár, kijk eens even! Bent u gelukkig?' In de eerste sfeer begint het, de mens wandelt... 'Ik ben lekker vrij, ik ben heerlijk vrij van de aarde. Niemand kan mij meer iets doen, want ik heb de aarde, ik heb alles beleefd. Ik heb met de aarde niets meer te maken. Ik ben vrij, ik ben gelukkig.

Wie doet mij wat? Ik heb licht, ik heb de bloemen, ik heb de bomen, ik heb een eigen huis. Ik zet mij hier neer, ik concentreer mij maar een klein beetje en daar komt een tempel om mij heen, met al de lieflijkheden die ik in mij voel. De kunst, de wetenschap, de wijsheid ziet gij aan mijn muren hangen en midden in mijn zaal, de zaal van liefde, daar zit ik, daar lig ik, omringd in een schone natuur, de orchideeën van de ruimte om mij heen. Ik krijg kussen van lieflijkheid, van harmonie; de Moeder spreekt tot mij. Maar ik ben niet gelukkig. Ik ben niet gelukkig! Waarom niet? Mijn God, wat komt er op mij af, wat stormt er tot mijn leven? Waarom laat U de mensen zingen en blij zijn? Hoe is het mogelijk, wat komt er tot mij? Mijn God, ik ben straatarm in de eerste sfeer, ik heb niets. Een ander loopt daar, kijkt naar de ruimte, heeft licht, heeft leven, heeft liefde. Maar dáár is iemand verdoemd, door u! Die zit daar vast. Die miljoenen hebben geen leven meer; die zijn angstig. Angstig voor wat? Voor 'de kist', voor de dood die er niet is, voor duizenden dingen meer, maar dat hebben wij te beleven. Geef de mens iets in handen en zeg tegen de mens, zeg de ander weer: 'Maak van dit gedichtje nu een mooi vers, maak er dan een prachtige novelle en bespreek en bevoel Moeder Natuur in al haar zaligheid, haar uiteindelijke wetten, haar innerlijke wetten. Bespreek haar voor ziel, geest, leven en stof en laat de persoonlijkheid spelende het leven ondergaan, vertolken, zoals uw virtuozen dat kunnen op de viool, op de piano, op de harp.

Maak er een symfonie van, maar vertolk daardoor dat er géén verdoemdheid is. Er is alleen leven, licht, liefde, Goddelijke zaligheid!'Miljoenen mensen lopen daar en staan machteloos in de eerste sfeer, de tweede. Heel ,die ruimten zijn gevuld door een machtige bezieling. De mens is gereed, de mens kent zich nu. De ruimte is overwonnen, planeten en sterren dragen wij onder ons hart. Niemand kan ons iets meer vertellen, wij hebben ons die wijsheid eigengemaakt. Wij hebben de kringloop der aarde volbracht, en nóg staan we in de verdoemdheid. Kunt u daar gelukkig zijn als u weet dat u moeder bent en uw kind daar door die ellende verrekt, neergeslagen wordt, geen licht in de ogen bezit, geen gevoel meer en telkens daar neerligt en zingen moet, kreunen moet: 'Doe niet verkeerd want gij zijt verdoemd.' Wat is dat voor een Godheid, Die daar een ruimte omspant, Die een Goddelijke macht bezit, Die Alwetend, Almachtig is? Heeft Die nog een verdoemdheid nodig? Heeft Die een zwaard in Zijn handen - want verdoemdheid is scherper dan een snijdend zwaard - heeft Die een zwaard nodig in Zijn handen om Zijn kinderen, die in liefde door Zijn leven zijn gebaard, te slaan, te vernietigen, te kraken, te onthalzen? Hang dat leven maar op, knal het maar neer, leeft u maar uit, lieg maar raak indien u wilt; als er dan toch verdoemdheid moet zijn, breek uw maatschappij maar af.

Doe maar mee aan leugen en bedrog, dat is immers niets in vergelijking met eeuwigdurende verdoemenis. Waarvoor leeft gij eigenlijk? Scheld elkaar maar uit, besteel elkaar, onthals elkaar. Kleed elkaar maar uit, neem alles wat u hebt van een ander, besmeur, bezoedel en mismaak elkaar maar. Verdoemenis? U haalt het niet bij de verdoemenis. Een mens op aarde is bezig om zichzelf in het gareel te zetten voor de Goddelijke macht en Moeder Natuur. De mens is bezig om zichzelf op te bouwen, tot de evolutie te brengen, te beschilderen, te bezielen, te bezingen, te bedichten. Hij maakt voor zichzelf een machtig toneel en hij staat er bovenop en spreekt: 'Ik zal zijn zoals Hij is en ik zal doen gelijk de klaarte 't ons heeft verteld. Ja, weet u: ik zal spreken gelijk de golven der oceanen, de lichten der lichten. Ik zal zijn als een boom in de natuur, als een bron, als een levensbron zal ik 't leven bezielen. Ik dicht, ik speel, ik doe aan muziek, ik doe aan kunst.' Maar waaraan doet u eigenlijk als die verdoemdheid er toch is en alles weer uit uw leven wegvaagt? Waar begint het begin en waar is het einde? Waar begint God te denken? Vervloekt zijt Gij, de God van al het leven, indien er iets van U uitgaat waardoor Gij Uw kinderen, Uw levenslicht slaat. Daarvoor staan meesters, daarvoor staan de sferen van licht, de miljoenen die zich los hebben gemaakt, vrij van Moeder Aarde en haar wetten, die vanuit het oerwoud gingen naar het blanke ras.

Die miljoenen levens hebben moeten aanvaarden... die de duisternis hebben overwonnen, die eindelijk konden zeggen: 'Mijn God, mijn God, wat is het hier mooi, wat is het hier prachtig; ik beleef hier de stilte, maar daar... maar dáár leven miljoenen mensen die zitten vast aan een verdoemdheid die er niet bestaat. Ja, ga maar even terug. Gaat u maar even terug, u allen. Dat hebben wij klaargemaakt. Vervloekt zijn degenen die begonnen zijn om de mens een geloof te schenken. Mijn moeder krijg ik niet meer uit die verdoemdheid; mijn vader heeft mijn kind vergeven, omdat dat kind niet in verdoemdheid kon geloven, aan die machten en krachten gelooft dat kind niet meer. Mijn vader zei: 'Dan zal ik het zwaard der rechtvaardigheid over uw hoofd laten gaan', en hakte het hoofd van zijn kind af! Miljoenen moorden zijn er door die vervloekte verdoemenis ontstaan, door het protestantisme, het katholicisme. Ze hebben elkaar bevochten omdat die verdoemdheid er is. Ze hebben elkaar afgemaakt, de volkeren der aarde, alléén voor dit stinkerige geloof, de bagger waarin gij zijt, want gij staat bovenop met een heilige uitstraling, een firmament hebt u van uzelf gemaakt. Goud en edelgesteenten hangen aan uw lichaam, maar de verdoemdheid staat onder u.

En aanvaardt u dat, hebt u dat lief? Is dat alles wat u bezit? U kunt niet denken, u kunt niet voelen. U kunt niet nietsdoen om de meesters te helpen opdat die verdoemdheid verdwijnt en een volk, deze mensheid ontwaakt en evolueert naar het reine, bezielende licht! Ja... Wanneer raakt ge bezield? De smarten die in de sferen van licht worden beleefd en gevoeld, die zijn oneindig diep. André heeft u eens verteld: 'Ik heb met sferen, met eerste, tweede, derde, vierde, heilige ruimten niets te maken, noch met liefde, noch met tweelingzielen. Ik wil véchten!' De verdoemdheid is het, de mismaking op de aarde. Wij hebben geen tijd voor dat genot om neer te zitten en in die ruimte te kijken. Wij hebben te maken met het leven waartoe wij behoren, want dat leven moet ook van die verdoemdheid los. En zo spreekt God op dit ogenblik. Dat was Christus Die tot Johannes zei: 'Ziet u, Johannes?' Christus hield Johannes aan Zijn hart. De reine, Goddelijke bezieling, de Alwetendheid van Christus straalt door Johannes heen en lopen hem de tranen over zijn wangen. 'Schreit ge, Johannes? Dan kan Ik aanvaarden dat Ik uw ziel waarlijk heb bezield.' Maar wanneer er geen ontroering had gekomen in Johannes, wanneer Petrus en die anderen niet hadden gevraagd: 'Wat zegt Hij nu, wat zegt Hij nu? Wat heeft Hij ons te vertellen?' waren deze niet gekraakt daar?! Daar lagen ze te kreunen, kreunende, ze wilden Hem niet alleen laten staan. Johannes liepen de tranen over de wangen, toen hij zag dat de massa werd gekerkerd.

'Ja, zei Christus, 'dat is de verdoemdheid voor de massa, want de mens verdoemt zich door één verkeerde gedachte.' Nog erger, het wordt steeds inniger. Hij zegt: 'Totdat Wij', zei Christus, 'die verdoemdheid hebben opgelost, Johannes, dan leeft het nog in de ziel, in de geest en het leven en de persoonlijkheid.' Want elke verkeerde gedachte die de mens heeft gekregen doordat de bijbel zo en zo werd geschreven -- in disharmonie met de werkelijkheid, met de natuurlijkheid, met de Goddelijke waarachtigheid -- is nu elke gedachte óók een verdoemdheid, die verkeerd wordt bedacht, die disharmonisch wordt gevoeld. Dat is een verdoemdheid voor de mens zelf. Dat is veel erger! Wie van God het levens beeld, het licht heeft gekregen... wie zal God als vader en moeder - dat hebben wij toch moeten aanvaarden - wie zal God eindelijk bezielen om die verdoemdheid van de aarde weg te nemen, wie? Wie moet dat zijn, wie begint er? Degene die begint zal bezwijken! Wij zullen stapels, stapels, bérgen moeten opbouwen aan geluk, leven, liefde, waarachtigheid om de mens een steun te geven, want er komen telkens weer miljoenen bij, omdat die kerk er nog is, omdat die bijbel er nog is, omdat het protestantisme, gereformeerden, al die lagere instincten - hoort u het? - er nog zijn, kunnen wij de mens niet omhoogtrekken om hem áchter, bovenop die bergen het universele, waarachtige, Goddelijke vergezicht te schenken.

U hebt geen vergezicht meer, u bent eigenlijk blind. U niet, u aanvaardt dat niet, maar de wereld is blind. De wereld heeft geen vergezicht meer, de wereld heeft niets, niets, niets, niets. Dat is het bewustzijn van miljoenen mensen, volkeren op aarde. De wereld, deze mensheid heeft niets. Bidt u maar en zingt u maar; als u niet oplet en u doet iets verkeerds - één stap maar, ziet u? - dan bent u al weg. U komt nooit meer tot het leven, u hoeft niets meer te doen, voelt u? Ik kom hier nog op terug aanstonds, ik zal de maatschappij slaan. Ik zal u slaan, ik zal u in de waarachtigheid plaatsen, omdat er miljoenen zijn die van die verdoemdheid af willen, want zij beleven de smart van hun kinderen. Ik heb u eens verteld: wanneer gij de eerste sfeer zult betreden, gaat u daar op uw lauweren rusten. U gaat heerlijk op een bankje in de natuur +) , u kunt doen wat u wilt. U staat daar, u hangt daar maar, alles hoort u toe. U doet niets meer, u bent er immers? U bent er? Maar wij hebben geleerd, de mens die daar leeft heeft geleerd dat hij door de ruimte ging en dat al het leven wat op de aarde is uw kinderen zijn. U bent de vader van miljoenen kinderen en de moeder. En al bent u moeder, dan bent u het als man ook. Daar leven miljoenen kinderen, dat is uw bloed, uw ziel, uw geest, uw hersens zijn dat! En dat leven kan nog niet denken. Dat leven hebt gij te bezielen, te besturen, op te trekken, omdat gij zult dat leven universele hersens schenken, opdat dat leven ontwaakt. Dat is de smart van Christus, dat is Gethsemané, jazeker.

Ik moest er een einde aan maken verleden, maar we waren nog niet in Gethsemané, dat dacht u! Ik heb u er daar nog niet laten voelen wat de Christus voelde toen Hij zei: 'Mijn God, Mijn God, hebt Gij Mij verlaten?'- nee: 'Mijn God, Mijn God, hoe krijg Ik die verdoemdheid weg van de aarde?! Kunt gij dan geen uur met Mij waken, kunt gij dan niet even luisteren, Petrus? Ja, Johannes schreide zich blind; hij onderging de Messias. U zult het óók ondergaan, Gethsemané. En dan wanneer wij ons flink zijn afgerammeld, wanneer zij ons machtige, universele, Goddelijke kasteel, de lichamelijke stelsels bont en blauw hebben geslagen, dan zult ge nog lachen, glimlachen, omdat gij bereid zijt het kind van uw hart dat op aarde leeft, te dragen, lief te hebben en in uw armen te nemen. Dan is er geen verkeerd woord meer in u, dan zijn er geen verkeerde gedachten meer, dan zijt ge in Gethsemané! Straks, uw volgende lezing, maak u maar klaar voor uzelf, die heet: 'Ik wil zijn als Gethsemané'. Want dan liggen wij daar en zullen leren hoe wij hebben te bidden, hoe wij hebben te denken. Dan staan wij voor die miljoenen die geen geluk kennen. Het Goddelijke Al is niet gelukkig, want er is nog altijd verdoemdheid op aarde. De geestelijke persoonlijkheid zal zich eerst dan kunnen ontlasten, hij zal eerst dan een vlucht kunnen gaan. . . nemen in de ruimte en kunnen zeggen: 'Nu vlieg ik, nu leef ik hier in mijzelf, nu ben ik één met de ruimte. Nu is dát daar, die weeïgheid, die zwaarmoedigheid, die angst, die smart is uit mij weg.'

Want de Christus kan toch niet gelukkig zijn dat daar Zijn leven op de brandstapel wordt gezet, dat Zijn leven daar wordt opgehangen, wordt vervloekt, wordt mismaakt, wordt bezoedeld? Dat kán Hij niet goedvinden, géén God van liefde! Dat bestaat niet, dat zijn nonsens. Dat is aardse, menselijke kletspraat, dat is uw roddel! Gij hebt de God van al het leven mismaakt, bezoedeld en verkracht! Hoort u het, mensheid, wereld? Waar leeft gij eigenlijk voor? De bekrompenheid van een 'kansel', die daar staat met een zevenjarige studie, staat: 'O... en de Here zal u beschermen.' Haal die man van zijn kansel vandaan en beplak de mens met voorzienigheid en stuurt hem de straat op, opdat de mens ziet, hoort en weet: 'Ik ben een onbewuste, verdoemdheid!' Ja, niet zo hard, stuur hem maar niet weer weg, want u bereikt nog niets. Hij kan er niets aan doen, want er leven nog mensen in het oerwoud. Wij hebben rekening te houden - zeggen de meesters - met het kind dat zijn best doet. Het Jehova-bewustzijn rammelt zichzelf af, loopt langs de straat, belt deur na deur aan: 'Maak u gereed, want de wereld zal vergaan!' Dat kind hebben wij bezield, dat kind hebben wij de wetten, de geschriften in handen gegeven. Wij zijn er zelf mee begonnen. En nu willen wij dat kind een pak rammel geven? Nee, dat kan niet. Machteloosheid... U kunt het kind niet eens bij dat nekvelletje nemen en zeggen: schud het maar eens even door elkaar. U vergrijpt u nu aan uzelf. Hoe kunt gij dit kind in lieflijkheid bereiken?

De mens die de eerste sfeer heeft bereikt, snauwt, grauwt niet meer. Die mens begrijpt alles; die vraagt niet, die vraagt niet: waarom maakt u die deur open? Die begrijpt, die trapt geen stuk natuur het huis uit, die beledigt geen bloem, geen dier, geen mens. Die mens is alvoelend, bewust, eerlijk, braaf, zuiver, harmonisch. Die mens stráált, die mens voelt het getik van boven, dat dan karma is - dat hebben wij u geleerd - dat stoffelijke narigheden zijn. Die mens staat open en zegt: 'Dank u, ik zal leren.' Maar de mens leert niets. Alles wat narigheid is, moet de mens niet. De mens gaat over zichzelf heen. De mens weet het beter dan Christus, de mens weet het beter dan de meesters. 'Meesters? Wat hebben meesters? Puh, ik ben het! En dacht u dan dat ik dat niet kon? Zij hebben mij nog nooit alleen laten staan op deze ruimte.' Ja, dan bent u een dominee. Meesters uit de zevende sfeer, meesters van de vierde, de vijfde en de zesde kosmische graad kreunen nu nog, liggen neergeknield, kreunend, pijnigend, omdat zij die verdoemenis dragen. En wat kunt u? Wat bent u? Wie zijt u? . . . Eén minuut stilte voor de Messias. Eén minuut te denken aan die Goddelijke gelukzaligheid is meer waard dan diegene te bedenken en te bevoelen die ge bewust hebt afgeslacht. Wanneer we hier gingen neerzitten om te zwijgen, om eindelijk eens aan de ruimte af te vragen: laat ons de stilte van het universele hart beleven en te ondergaan, was veel beter dan uzelf zo druk te maken om verdoemdheid.

Dat is de stap: die van magere Hein, hoort u? Zo hebben mensen die stap beleefd en moeten aanvaarden en dan zagen zij een zeis. Niet alleen dat wij verdoemdheid hebben gebracht, maar de dood, die evolutie is, heeft men een stuk hout met een gevaarlijk zwaard eraan in handen gegeven. En dan gaan de hoofden van de mensen verdwijnen, zó in de grond. En wanneer wij dan zeggen: het laatste oordeel heeft ook niets te betekenen, dat is zo'n kermisspel, dat is belachelijk, daar moet u bovenop gaan staan met uw tamboerijnen. Speel nu maar, ga nu maar tekeer zo hard u wilt; dat is belachelijk. Zoek maar een hoofd uit het prehistorische tijdperk en loop met een rib van uw voorouders in uw arm en tracht ze nu maar eens in dit bouwwerkje te plaatsen! Dat is zó belachelijk; maar de verdoemdheid is stralend-zielig, pijnlijk, vergiftigend. Máár. .. magere Hein is er: 'Bent u klaar? Ik ben er!' 'Nee! Laat me toch leven, laat mij toch nog eventjes...' Jazeker, hier is het leven. U had maar aan uzelf moeten denken. U had uw leven maar anders moeten gebruiken. U had de ruimte moeten aanvaarden. Waarom gaat ge niet doordenken dat toch te bewijzen is? Hier is uw bijbel. Sla die boeken, sla die paar bladeren maar open en ga naar het Nieuwe Testament, ga naar Christus, ga naar Gethsemané, ga naar Golgotha! Waarom aanvaardt u het Oude Testament, een God van wraak?

U wilt niet denken, ziet u? U vertikt het om te denken. U blijft dat gekakel van uw dominee, uw geestelijke aanvaarden? Uw vals gezang? Heremejee, mijn ruimte, waarom doet gij het langer? Ik ga toch liever naar een reine, zuivere sopraan en een alt. Waarom heeft God het kind, de moeder die machtige klanken geschonken en waarom moet ik naar uw eigen gedichtje gaan luisteren? Dacht u waarlijk dat de Christus dat wil? In de reine betekenis voor de ruimte, de gelukzaligheid voor u op aarde leeft het nieuwe kind. Is de nieuwe geboorte voor elke gedachte, voor al het gevoelsleven. Wórd moeder, maak vrij van verdoemenis, aanvaard geen magere Hein met een zeis! Maar hij is er. . ., u moet hem horen lopen.Vandaag op dit ogenblik, mijn zusters en broeders, elk ogenblik, elk ogenblik vragen mij de engelen uit de hemelen mij: 'Meester Zelanus, wanneer begint u aan ons gevoel? Wanneer neemt u de smarten weg die wij dragen, de pijn die wij voelen?' Ik ben het spreekorgaan voor miljoenen mensen voor deze ruimte, waarvoor ik mezelf eigen*)GEREED)  mocht maken, ook André. Ik ben de vertegenwoordiging van Judas, Caïphas, de Christus aan het kruis - u ook.

Wij judassen van deze wereld durfden het woord niet fatsoenlijk meer uit te spreken, omdat ge naast uw onwerkelijkheid staat. En dan zeggen de engelen: 'Spreek eindelijk dan toch mijn naam uit, onze smart.' Maar de meesters, de Albron heeft mij opgedragen de eerste Goddelijke wetten te verklaren. De Albron heeft mij opgedragen om u mee te nemen naar Gethsemané, naar Golgotha, opdat gij uzelf zult leren kennen. En eerst dan begrijpt ge waarvoor ge leeft en zult sterven. Maar miljoenen mensen - zei ik u zoëven - miljoenen mensen sterven er op deze seconde. En dan staat even zo vrolijk magere Hein naast deze kinderen van God en hakt bereidwillig, liefdevol.. met een heerlijke wartaal maakt hij zich gereed. En eindelijk komt de slag,een gerochel: de mens is niet meer. . Dat zou u wel willen, wereld! Dát zou u wel willen. De mensen, een Goddelijk product, in de aarde stoppen, neerkwakken, laten verbeenderen, laten mismaken, verrotten. 'Nee! Lange Hendrik leeft nóg! Ook Peter Smaling met zijn mooie stem', zegt Jeus. 'En daar is Fanny, en José ook. Maar met die heb ik niet meer te maken, want ik wil werken. Ik heb geen tijd, ik heb een huishouden.

Ik moet dienen voor Crisje en de kinderen', - dat waren de jongens - 'die moeten eten!' Mensen, mensen van de aarde, de sferen van licht, u komt er nooit. Ook al bent u met beide benen in die wereld, dan rent u er weer uit! U moet de mens... we worden akelig, we worden onwel van de mens die zich gelukkig en bezielend, die zich geestelijk voelt. Daar worden wij onwel van, de mens die durft te zeggen: 'De Vader zal het mij wel zeggen.' 'Vlieg, malariamug die u bent', schreeuwt de natuur u toe, 'wat verbeeldt gij u toch?' Er leven daar miljoenen die moeten hun harten vasthouden, of die harten spatten uit elkaar door bezieling, door smart. Niet door hovaardij en kletspraat en zwakte van persoonlijkheid, om te gaan neerzitten en Onze-Lieve-Heer en de ruimte te dienen in uw huis, met uw kopje koffie en u al de dingen die u hebt op aarde, neer te zitten en te praten hoe gij wel zijt, hoever gij wel zijt gekomen. De sferen van licht zijn leeg. Maria en Jozef, de vader en de moeder van Christus schreien dag en nacht, omdat daar nog familie leeft van David. De kinderen van Israël, dat bent û! Dat zijn de miljoenen, dat is Frankrijk, Engeland, Duitsland, Amerika; ook Rusland, ook Adolf Hitler! Die lijden, Maria en Jozef, afstammelingen van het Huis David. Ja, daar zitten ze, boven in de zaal û bent dat. U hebt geen smart, u kunt het hier nog bereiken. Wanneer u de eerste sfeer hebt bereikt, dan kunt u niets meer, dan staat u machteloos.

Ook al bent u een meester, ook al bent u in de zevende sfeer, ook al bent u in de Albron, ook al bent, u Christus, dan vergrijpt gij u niet meer aan vijf cent. André verlangt om de wereld een tempel te geven, de Universiteit van Christus. Er is geen geld. 'Nee', zegt André. Wat doet u daar, wat doet ge daar dan toch? Dag en nacht neerliggen, uw leven verchagrijnen, de Christus bewonderen? Maar mijn God, mijn God, zijt gij dan kleurenblind in de sferen van licht, op de vierde kosmische graad?Hebt gij uw levensaura bedroomd? Hebt gij daarvan een ruimte gemaakt, een tempel? Hebt gij de muziek, hebt gij de kunst, zijt gij tevreden? Dan schei ik er uit!'Als het nog lang duurt', zegt André, 'ik wil die marteling niet langer meer. U hebt mij te ver in het Goddelijke-ik gebracht. Wie zijt gij dan in vredesnaam, meester Alcar, meester Cesarino, Ubronis, Damascus en Halve Maan, die deze aarde besturen, die de mens door de oorlog brachten, dit; elk technisch wonder gewikt en gewogen hebben; en nu weer de atoombom. Wie bent u?! Ik ben het met dat eten, met dat drinken, met die bezieling, met die inspiratie van u, dat zegt mij niets meer, daarmee ben ik niet meer tevreden.' En ik ook niet als meester Zelanus, noch meester Alcar.

Wij willen meer! Wij willen God zien, wij willen God beleven. Ik wil het Huis Israël opnieuw opbouwen, want die fundamenten die zijn gelegd, deugen niet. Daaraan vreet een Goddelijke mier en die heet verdoemdheid. Die is niet wit, die is niet zwart, maar is geelbruin en heeft alle kleuren van de ruimte. Dat is het dierlijk instinct. Dat is gevoel, gevoel met een mes, met een dolk, met een zwaard. Magere Hein leeft erin, ertussen en zit er bovenop en heeft een kroon op zijn hoofd.Hoort u het? Kwaad wordt de mens? Nee, gepakt van smart, gescheurd vaneen, u wordt uiteengerafeld; uw borstkas springt uit elkaar van smart als u de meesters ging zien, als u voor de voeten kon liggen van de heilige Maria en Jozef, Golgotha, Gethsemané, de bijbel. Wij zijn niet wild, maar wij zijn krankzinnig van smart, omdat gij nog altijd het leven niet alleen wilt verdoemen door uw universiteiten, maar ook gij hier, ge mismaakt, ge slaat elke dag nog op het leven van God. Door een woord dénkt ge dat ge niet slaat... maar ge hebt de mens het licht reeds ontnomen. Wanneer begint u werkelijk te denken, lief te hebben, het leven te omranden en te dragen? Ja, waarheen? Kletspraat? Wilt u zeggen dat u God, dat u Christus, dat u Gethsemané, dat u Golgotha liefhebt?

Wilt u dat voor uzelf wijsmaken? In de zevende sfeer durft men dat niet meer, noch op de vierde kosmische graad. In de vijfde kosmische graad de smart stijgt nu; niet het geluk, maar de smart! De pijnen stijgen naarmate gij hoger komt, want gij gaat naar het leed van Christus. Onduidelijk, onwaar? Begrijpt ge dit niet? Gá dan! Ga dan eindelijk weg en luister niet langer meer naar mij, naar de 'nonsens'. Ik wil uw afhangende gelaten, uw chagrijnig, afbrekend, mismakend gevoelsleven niet meer zien. Ik wil de smarten, de lamlendigheid, de luizakkerij, 't niet-willen, het vertikken om het geluk te aanvaarden voor de ruimte, en uzelf, uw huisgezin, dat wil ik niet langer meer zien. Ik ben onwel van de maatschappij, van uw mensheid, want in mij leeft waarlijke smart. Waarlijke pijnen doorkruisen mijn zenuwstelsel en hameren op het gevoelsleven, maar de hersenen zeggen: beuk maar raak, ik zal me wel redden. Elke cel van dit organisme van mij en van André staat open voor de lieflijkheid van de Messias en zal Hem verdedigen. Verdedigen. .. om die verdoemdheid te doen verdwijnen. Dat is uw werk, dat is een taak voor de miljoenen mensen van deze wereld! Mens, mens, verbeeld u toch niet dat ik het gevoel bezit, dat ik u iets geef.

Dacht u dan niet dat ik u volgde en dan niet zag dat gij toch niet gaat denken in de goede richting? In de eerste plaats zult gij moeten gaan denken naar de ruimte, naar Gethsemané, naar Maria en Jozef, naar de apostelen, Johannes, naar de sferen van licht, naar de zevende sfeer; naar de miljoenen die die ruimte, die sfeer, dat stuk grond hebben bereikt. U dóét het niet! U kunt praten en praten en praten en de mensen bezielen: 'O, wat was dat mooi, wat heb ik vanmorgen weer genoten.' Genóten? De duivel zal u halen met uw genot! De smarten van satan zult ge beleven wanneer u zegt: 'Wat mooi was dat!' Dan hebt gij noch dit, noch dat, niets van al uw miljoenen eigenschappen en karaktertrekken hebben een greintje gevoel van mij weggenomen, laat staan van de ruimte, laat staan voor deze mensheid. U kijkt alleen en u voelt alleen maar voor uzelf, uw naakte, kleine, menselijke ik. Ik doe u niets, ik doe u heus niets, want ik ben angstig om u iets aan te doen; wij zijn angstig om nog meer ellende te scheppen. Dacht u dat wij in staat zouden zijn een mens neer te slaan terwijl wij zien dat er al zoveel verdoemdheid is, dat er een magere Hein staat, de dood met een zeis als een vlammend zwaard? Wij kennen Gethsemané, wij kennen Golgotha, we trekken onze haren uit ons hoofd, wij halen het hart uit onze ribben en laten ons bloed stromen voor uw ogen, want wij weten: aanstonds, wanneer gij de eerste sfeer betreedt dan aanvaardt ge - wij vertellen u dat nog niet eens - ,dan aanvaardt ge uw geluk?

Dat zou u wel willen! Nee, dan gaat gij ons helpen dragen, ziet u? Dan gaat ge ons helpen dragen. Dan gaat ge... dan gaat gij zeggen wat de Christus tegen Johannes zei, waar- van ik u even het beeld gaf: 'Johannes, het is niet dat wat wij op aarde hebben gebracht, maar de mens heeft die angst vermiljoenvoudigd en heeft er een verdoemenis aan gemaakt. En dat zijn kinderen van u, Johannes, van Mij en van Petrus en de anderen. Hebt gij de sferen van licht gezien, hebt ge de meesters gezien? Kunt gij zeggen, Johannes - gij treedt zo nu en dan uit en ge hebt de hemelen mogen zien - kunt gij zeggen dat er een meester in de eerste, de tweede, de derde sfeer gelukkig is? Dat deze gelukkig zijn?Dan zijn zij niet echt, dan zijn ze vals.' Wij ontwikkelen u. Waarom beulen wij, beult de ruimte, gaf de Christus Zichzelf, beult een apostel zich af? Waarom liet Petrus zich, met een machtig gevoelsleven en blije overgave zich slachten als een aards, stoffelijk varken? Want dat is gedaan, men heeft hem ondersteboven geslacht. Waarom was hij nog gelukkig? Omdat hij nu eindelijk het gevoel kreeg om te helpen kunnen dragen. Dat is het. Dát is het! Wanneer u de eerste sfeer betreedt - voelt u, dat zijn immers de boeken van meester Alcar - omdat u bang bent, angstig zijt om de waarheid te beluisteren, u kunt geen woord aanvaarden van meesters en u durft geen waarheid wanneer zij zeggen: 'Sluit uw mond toch, wees toch hartelijk en lief.' Zijt ge moeder, zijt ge vader..., u bent meisjes en kinderen, kleuters?

Nee, om de universele waarheid, nee! Gij zijt kinderen van één God en zult liefde zijn. Waarom begint gij niet in liefde? 'Een Blik in het Hiernamaals' voert u naar de gelukzaligheid, nietwaar André? En dan eindelijk zegt meester Alcar: 'O, het wordt zo mooi, het wordt steeds mooier', en André zakt in elkaar. En André bezweek, hij viel zijn meester om zijn hals; hij zegt: 'Meester, ik hou het niet meer uit. O... wat is dat.. .' Op een berg, daar in de verte... ziet André een majestueus gebouw met een Goddelijke uitstraling. De wegen gaan naar dit gebouw en hij zag gelukkige mensen in mooie gewaden gekleed. Heerlijk, hé? Voor u om te verzachten? Nee, dat zoudt gij wel willen. Dat is alleen rustig, maar geschreven voor de kinderen van vier jaar die u nog bent, om u gereed te maken, want wij weten immers: daarachter, achter die streep daar, daar wordt het heilige ernst. U bent hier nog maar in de leukigheid, in het vermaak, geestelijk vermaak; u tokkelt maar een beetje op uw harpje. Maar daar wordt het ernst, want daar begint ge - dat is de eerste sfeer en kom ik later op terug - daar begint gij om Christus, om de ruimte te helpen dragen. Nu wordt het ernst, nu staat gij voor verdoemenis.

Nu denkt ge bezield te zijn? Die kruimels bezieling die in u ontwaken, die kleine insecten? Waarom hebt gij de moed vandaan gehaald om hier neer te gaan staan? Toen heb ik u achter uw schouders uitgelachen. Ziet u, ik doe u niets, broeder B., maar ik laat u zien: ja, daar lopen ze. Ik had u eraf moeten halen, ik had u als een vader voor uw broek moeten geven. Wild zult ge zijn als het om uzelf gaat, maar niet voor Christus - dan hebben ze geen bezieling! Wanneer maakt gij uzelf kwaad, wanneer wordt gij boos? Zoals André zegt: 'Ga dan eens op uw hoofd staan voor Christus!' U verkoopt kunsten, uw kunst, u balanceert iets uit waarvoor gij twintig jaar nodig hebt. Maar dat is niet voor de Christus! U laat u slaan, u bent.,.een bokser, een atleet en u spiert uzelf. Ja, voor wat? Voor verdierlijking en verderf. Om u sterk te maken voor de eerste sfeer, de tweede, de derde, de vierde? Schrik niet, hoor. Dat doet u niet, kan de mens niet. De mens kan wel praten, de mens kan wel zingen. .. vals. Het komt allemaal weer in orde? Nee", dat komt niet in orde! Straks dan krijgen wij André terug. 'André is op de verkeerde weg?' Nee, dat was niet zo. Maar gij, huichelaars, gij die op de verdoemenis staat, want gij hebt niet alleen Christus, niet André, niet mij, niet de leer van de meesters, niet alleen Gethsemané opnieuw gekild en Golgotha, maar gij zat in het levende hart van de Messias. Vertel dát maar!

Wij houden niet meer van schurftige honden, want het gaat nu om een schurftig mens en heeft méér betekenis en de schurft is niet zo erg, de pest, de cholera, de melaatsheid is niet zo erg, mijn zusters en broeders, als de levende verdoemdheid, de eeuwigdurendé mismaking van een God, Die alleen liefde is. Als ik me laat gaan, dan zink ik weg. Daar staan ze. Ja, omdat ge het hof van Eden... hebben wij verklaard, hebben wij verkláárd, hier! Ik heb geschreid,. de hemelen hebben geschreid... Ook dat nog! Het hof van Eden hebben ze ruw uit de grond getrokken nu we, eventjes maar , heengingen en begon het levende beeld van de Messias, Johannes, Petrus, Paulus, Maria en Jozef en heel de mensheid opnieuw af te slachten, want zij hadden dorst, deze leeuwinnen en leeuwen! Een leeuw in het oerwoud, een tijgerin die over haar kinderen waakt, doet dat niet eens. Ja.... waarheen voert ons de verdoemdheid? Wanneer wilt gij beginnen? Gij mismaakt uzelf. Maar dat hou ik vast tot de volgende zitting, want dan liggen wij neergeknield in Gethsemané en maken we een wandeling over de aarde, want wij komen nu zover. Huichelaars die ge zijt, wanneer ge staat te schreeuwen op uw kansels dat de God verdoemt: 'Doe dat niet, dat is een zonde!' Er zijn geen zonden, er is geen mismaking, geen afbraak, geen vernietiging, geen zwakte van persoonlijkheid. Alles is evolutie. Evolutie!

Wij kunnen u opvangen en opnieuw aan het ruimtelijke hart drukken, omdat wij de waarheid vertegenwoordigen, omdat wij bezielend zijn en de God van al het leven tot onze levens zal spreken. U wacht op een woord? Wacht liever op stilte. Dan draait gij niet meer in uw stoel, dan hebt gij niets meer met stoffelijke stelsels te maken. U kunt zich de ruimte niet, de maatschappij niet, niet eens overgeven. Ik sla uw handen van uw gelaat, om eindelijk eens in de nuchterheid, in eerbied neer te gaan zitten en de God van al het leven te danken. Wat moeten wij met de wereld, wat moest Christus met de mensheid, en wat moesten de apostelen met hun taak beginnen, toen zij voor die eeuwige verdoemdheid stonden? 'Mijn God, mijn God, hoe hebben wij het leven mismaakt.'  En nu zijn er anderen gekomen om u los te maken van de verdoemdheid, maar ook los te maken van uw eigen hardheid, want elk woord is verdoemend voor een tijd. U zult nooit meer aan hardheid, aan bedrog, mismaking, jaloersheid of wat het ook is, al die verkeerde eigenschappen en karaktertrekken moeten denken. Gij zult elke gedachte lieflijkheid moeten geven, ruimte - in tijd en ruimte - en dan begint uw parapsychologisch onderzoek: wie ben ik?Wij hebben eerbied, de ruimte heeft eerbied voor de mens die eindelijk het gevoel heeft gekregen: ik begin. Zet uw schouders onder deze wijsheid, mijn broeder B., maar doe het niet te vlug. Daar zitten miljoenen meesters en kunnen niets doen, moeten afwachten, moeten wachten op wat ik doe, ik. U kunt mij meester noemen, maar u kunt mij veel méér en dieper bereiken. En dan zult gij die meesterlijke krachten ondergaan, die lieflijk zijn en die uw leven opvangen, wanneer u waarlijk begint, wanneer u moeder wordt, vader wordt, broer, vriend, zuster, broeder.

Elkeen heeft te zorgen voor het eigen recht. Elkeen moet zorgen om zijn taak waarin u nu bent, af te maken en geen nieuwe ellende te scheppen. Dat verwachten wij van u niet meer. U schrikt van niets; u leeft en aanvaardt voor nu - ik zal die morgen afsluiten - u neemt van nu af aan de heilige begeerte in u, dat gij alles en alles zult doen om de harmonie voor woord, wet en maatschappij te ondergaan. Want dat zijn de stelsels van Socrates, daarvoor heeft de mens Socrates zijn gifbeker moeten nemen. Toen hij zei: 'Ja, maar er is veel meer. De mens is dit, de mens is zo, de mens is ruimte', toen zette dat ongelukkige kind dat weer aan de verdoemdheid vastzit - praat ik nonsens? - die weer aan de verdoemdheid vastzit, zette Socrates zijn gifbeker voor. Galilei werd door het pauselijk, katholieke, bewuste gezag in z'n kerker gesmeten omdat hij zei: 'De aarde draait om de zon.' Weer zo' n gifbeker, omdat de verdoemdheid er is. Onwaarheid, wereld? Vertel ik u nonsens?Waarom heeft men Galilei gebroken, waarom heeft men Galilei geknecht? Waarom heeft men hem zijn taak uit zijn handen geslagen? Wanneer men een geestelijke spreekt en u zegt: 'Wat wilt u?' 'Ja, u moet naar de kerk terug.' 'Zo... moeten wij naar de kerk terug?' 'U bent nog een gedoopt katholiek?' 'Zó... ja, dat is goed.'Maar wanneer u dat kind voor u zegt, dat kind voor de heilige moeder - en in de Kosmologie heb ik geschreven, uit naam van Christus:

'Die kerk van u, die katholiek is', en als u dan ook katholiek bent geweest dan schrikt u dan maar, vanmorgen, dan bent u er ineens en voorgoed af, 'dat is een geestelijke hoer.' Ja, als zij moeder is met een Goddelijke liefde in haar, waarom zette zij dan de kinderen op de brandstapel? Waarom ontnam zij, deze moeder, die kerkelijke moeder, het levenslicht van Galilei en Socrates en miljoenen anderen die de brandstapels hebben moeten aanvaarden? Ze was veel minder dan een slet! Een slet komt tot ontwaking en heeft nog lief, maar zij gaat bewust door en verder. En dat behangt zich met edelstenen en gewaden. Eén voor één komen deze kindertjes naar omhoog en dan worden zij afgetakeld. Dan staan zij voor de smarten van satan, dan staan zij voor de ellende die de Christus heeft te aanvaarden; nu! En waarvan gij niet afkunt, want telkens wéér slaat gij het levenslicht van God, het nieuwe licht, midden in het gelaat. En dan denkt gij dat door uw geroddel, uw zwakte te mismaken?! Nóg leven wij in deze tijd, nog bent u niet anders. Hebt u het gehoord? Vertel het aan uw andere zusters en broeders: een Goddelijke moeder verhoert zichzelf niet, die is alleen maar liefde. Want de kerk, als u daar aan meedoet en u wordt een kardinaal en een paus en u zet als kardinaal uw stempel, uw handtekening onder dat doodvonnis, dan verkracht u die moeder, dan bent u des duivels. 'Jà, zegt de geestelijke, 'het waren er maar tien. Wij hebben er maar tien op de brandstapel gezet, meer niet.'

Nee, het waren er tien miljoen! Tien miljoen mannen en vrouwen, kinderen nog, werden er gebrandstapeld. Jeanne d'Arc is uw voorbeeld, ook al vocht dat kind voor een melaatse, voor een tierlantijn. Haar God was maar een tierlantijn, een kermisklant, want ze werd van voren, van achteren, links en rechts werd Jeanne d'Arc bedrogen. En de meester die haar heeft bezield, die wás er niet. Er was geen Messias in de ruimte te zien voor Jeanne d'Arc Dat was haar kerks geloof, haar gevoel van vroeger; toen was zij non en zat ze ook aan die kerk vast. En nu wilde ze voor de Messias, voor de God van al het leven dacht ze bezield was. De duivel zat daar achter! Maak daar maar een film van en ga dan maar beleven, dan weet u hoe een God van al het leven Zijn kinderen zal bezielen, maar niet tot de mismaking. Een God heeft u niet nodig om op een brandstapel te gaan staan, daar bent u te kinds voor.Ik heb het tegen de wereld, hoor, ik heb het niet tegen u. Maar indien u wilt, stop uw zakken er van vol. U draagt zulke grote tassen. Maak van uw hart zo'n buidel en leg alles in dat hartje en begin van nu af aan eens te leren lopen.

Word Jeanne d'Arc, maar niet... maar speel niet voor gelovige, speel niet voor medium noch voor Galilei, noch voor Jeanne d'Arc; Kom eerst bij ons. Er zijn meer van deze verwaasden geweest die heilige en machtige 'gezichten' zagen, maar die namen het zwaard niet, die gingen de leeuwenkuil in. Die waren echt, die hadden alleen het kruis lief. De mens die liefheeft, die mismaakt niet meer. Die wil met brandstapels, met geharnaste gevoelsuitdijingen niet meer te maken hebben. Die krijgen geen zwart of wit ros onder zichzelf, maar krijgen de 'vleugelen' van de ruimte. Die zitten neer op een machtig dier, maar dat dier is geestelijk bezield en draagt een arendskop gelijk de piramide van Gizeh is, die voor u mensen is gebouwd en werd opgetrokken voor de gelukzaligheid van later. (...) Konden wij maar doorgaan u de wetten te verklaren, om u hand in hand mee te nemen, uw werkelijke hand te voelen als man en vrouw, vader en moeder. Maar wij komen terug; maakt u gereed, mijn kinderen. Schreeuw het deze morgen eens uit! Geef niet mij en niet André, wij willen met uw loflijkheden, met uw goeiigheden niet meer te maken hebben, André ook niet. Vandaag worden wij aanvaard en zijn we engelen en meesters, vandaag krijgen we door u - we hebben dat reeds moeten aanvaarden -,een wit gewaad om onze nek en morgen worden wij door . .u onthalsd. Maar we zijn er nog! Maar waar zijn die geweldenaars, die bewusten van geest, die deze franjes uitdelen? Waarom steken zij zelf geen pluimen op hun hoeden... kinderen van God?Als gij waarlijk liefde in u hebt, zeg dan dat ik ongelijk heb, val mij dan aan.

Maar dat kunt ge en durft ge niet eens, omdat er geen fundament je van u overblijft. Maar ik stuur u niet weg. De God van al het leven zegt: 'Gij zijt universeel diep.' Ge maakt deel uit van Zijn leven. Gij zijt leven, licht, vader en moeder, ge zijt alles. Gij zijt vonken! Nee, gij zijt Goden. Het doet er niet toe wie u nog bent, het doet er niet toe hoe u spreekt en wie u aanvalt. Láát dat in het vervolg en gij legt het eerste fundament voor de sferen van licht, voor uw Gethsemané, voor uw Golgotha, uw vaart, uw reis terug naar het Goddelijke Al, waar gij de Albron zult vertegenwoordigen. Gij zijt Goden! Vandaag krijgt de mens zijn alles, zijn liefde en morgen wordt ge mismaakt; Maar onthoud dit, voor uw toekomst en voor het verleden: wij laten ons noch*)NIET) in 'de kist' terugvoeren van de dood. Wij laten ons niet mismaken door uw gepraat, er is al narigheid genoeg. Over onze lippen hoort u niets, wij hebben u lief, lief, lief! Liefhebben wij u, de wereld en deze mensheid!

Maar wij laten ons ook niet opvoeren en ons op uw kerktorens plaatsen, want morgen gunt gij ons dat levenslicht en die ruimte niet en kiepelt gij ons er toch weer af. En dat weten wij. Wij willen geen dank, we willen geen gevoel; wij willen niets, maar we dragen de smarten voor deze mensheid. Wij zijn dankbaar dat gij hier zijt en neerzit en naar de meesters wilt luisteren en ik zeg het u, dat kunt,gij aanvaarden en zal dan voor nu, voor deze morgen mijn laatste woord zijn, met de veronderstelling, de stuwing, de inspiratie erbij dat gij u gereedmaakt voor Gethsemané aanstonds. De Christus was in uw midden. Voor nu, voor eeuwigdurend, indien gij. .. Nu is Hij hier, nu zijn de engelen hier, de meesters van het licht en de ruimte! Aan u om nu het levenslicht, deze Goddelijke wijsheid, dit ontzag, deze bloedende, bezielende, stuwende kracht voor uzelf, voor uw vader- en moederschap en voor uw kinderen en uw maatschappij te behouden en in uw harten te sluiten. Van nu af aan gaat gij onder Goddelijk gezag. De engelen zullen nieuwsgierig zijn voor hoelang. Aan u om daarvoor de eerste fundamenten te leggen. Gij bouwt niet voor een vreemde wereld, maar gij bouwt aan uw Goddelijke werkelijkheid. Gij bouwt voor ziel, voor geest, maar voor uw Goddelijke persoonlijkheid, die eens zal stralen, die eens de Alwetendheid bezit en vertegenwoordigt. Mijn Goden, tot zover. '
Meester Zelanus. 










Google Analytics Alternative