TWEELINGZIELEN.
Ik begrijp, waar je aan denkt, Theo. Maar hier geschiedt alles op tijd. Pas als ons bewustzijn die hoogte bereikt heeft, zullen we in verbinding gebracht worden met de ziel, die tot ons behoort. Dan zijn we geheel gereed voor haar of hem, zijn we klaar om het wonder van de tweelingliefde te beleven. Je voelt het al, dan kan er van niet aanvaarden geen sprake zijn. Ons hele innerlijk, ons denken en voelen zijn erop gericht het zielenleven, dat is als wijzelf zijn, te ontvangen. In de liefde zijn we zo hoog gegroeid dat zij universeel geworden is. En toch, de liefde voor zijn ziel gaat daar nog bovenuit, zij is anders en slechts te voelen voor dat éne wezen in de ruimte, dat God schiep als ons zelf. Ik kan op aarde een vrouw liefhebben, onze karakters kunnen bijeenkomen, ons leven kan daar een hemel gelijk zijn, en toch hoeft dat niet te zeggen, dat deze vrouw mijn tweelingziel is. Want de tweelingliefde gaat er ver bovenuit, zij heeft kosmische betekenis, al kan zij ook op aarde reeds worden gevoeld. Met véle zielen kunnen we begenadigde banden hebben - toch hoort slechts één wezen in het heelal waarachtig bij ons. En God Zélf was het, Die ons die ziel toewees.’ ‘Wanneer geschiedde dat, vader?’ ‘Dat ligt ver terug, m’n jongen. Toen God Zichzelf wegschonk aan ons, Hij ons het eerste leven gaf, de planeten zich gingen verdichten en het evolutieplan een aanvang nam, gingen wij in dat geluk over. Het zielenleven nu, dat met mij de allereerste graad van leven beleefde, mijn ziel in zich opnam, dát is de ziel, die kosmisch bij mij behoort.’ 

‘Maar dat kun je toch niet meer weten, vader?’ ‘Het weten ervan heeft ook geen betekenis, maar het gevoel in ons zegt het, met een zekerheid al zei God Zelf het tot ons! In het allereerste stadium van de Schepping werden we tegelijk geboren en voelden we ons één. Toen begonnen we tezamen aan onze geestelijke evolutie. Eeuwig en altijd zullen we tot elkander behoren. Gód schonk ons deze onuitsprekelijke genade.’ ‘En we worden ons er hier weer van bewust, vader?’ ‘Ja, eerst aan deze zijde keren we in dit bewustzijn terug, al is dat zoals gezegd, ook op aarde mogelijk. Enkelen daar hebben zich dat bewustzijn eigengemaakt.’ ‘Maar waarom weten wij eerst hier van dit grote geluk af?’
Het zielenleven nu, dat met mij de allereerste graad van leven beleefde, mijn ziel in zich opnam, dát is de ziel, die kosmisch bij mij behoort.’ ‘Maar dat kun je toch niet meer weten, vader?’ ‘Het weten ervan heeft ook geen betekenis, maar het gevoel in ons zegt het, met een zekerheid al zei God Zelf het tot ons! In het allereerste stadium van de Schepping werden we tegelijk geboren en voelden we ons één. Toen begonnen we tezamen aan onze geestelijke evolutie. Eeuwig en altijd zullen we tot elkander behoren. Gód schonk ons deze onuitsprekelijke genade.’ ‘En we worden ons er hier weer van bewust, vader?’ ‘Ja, eerst aan deze zijde keren we in dit bewustzijn terug, al is dat, 222 zoals gezegd, ook op aarde mogelijk. Enkelen daar hebben zich dat bewustzijn eigengemaakt.’ ‘Maar waarom weten wij eerst hier van dit grote geluk af?’ ‘Dat is toch heel duidelijk, Theo. Op aarde kennen we onszelf niet eens. Hoe zouden we dan van deze wetten iets afweten? Op aarde hebben de mensen in de regel alleen zichzelf lief en dit soort liefde, je voelt het, heeft niets uit te staan met de machtige tweelingliefde. De mensen leven er hun eigen leven en gaan niet in op de zielenlevens, die op hun weg komen. Ze voelen er niets voor om zich voor deze te buigen en hebben dan ook niet lief. Maar weinigen zijn er die waarachtig liefde bezitten. Deze weinigen bezitten doorgaans de zuster- en broederliefde, al geloven ze de tweelingliefde te beleven. Groot is hun liefdegevoel en als ze huwen, openbaart zich een heerlijke harmonie. Stel nu eens Theo dat een ervan overgaat naar deze wereld. De ander, die achterblijft, verlangt ontzettend naar het wezen dat overging. Nimmer meer zou hij verbinding willen met een ander zielenleven. In hem leeft slechts het verlangen naar haar, die hij thans aan gene zijde weet. Er ligt diepte, reine diepte in zijn liefde die zijn gevoel doet groeien en zijn bewustzijn vergroot. En tóch is door hem niet vast te stellen, of zij beiden tweelingzielen zijn. Eerst aan déze zijde ervaren ze dan, dat hun gevoelens niet de tweeling-, doch de zuster- en broederliefde raakten. Op aarde was dat door hen niet vast te stellen, omdat dáár die diepte niet gevoeld of gepeild kan worden. Denk je maar eens in, de maar door luttele mensen op aarde beleefde zuster- en broederliefde is universeel, de tweelingliefde echter kosmisch. En wie op aarde kan kosmisch-diep voelen. Nee, Theo, maar heel, héél weinig mensen leven op aarde bewust in de tweelingziel-toestand.’ ‘Maar kunnen tweelingzielen elkaar niet op aarde ontmoeten zonder te weten, dat ze tot elkander behoren?’ ‘Vanzelfsprekend is dat het geval, Theo.

Wij, zielen, zagen elkaar in verschillende levens, ook al hoeft dat niet steeds als man en vrouw te zijn. Je kunt je zielenleven als kind op aarde ontmoeten, als een oude vrouw, als je vader of je zuster. En desondanks zijn beide zielen kosmisch voor elkander bestemd. Je wilt vragen, hoe dat mogelijk is? De tweelingzielen moeten de wetten van God leren kennen, ze moeten universeel leren liefhebben. Daartoe dienden ze met het leven van God in aanraking te komen. Ze gingen hun eigen weg. In hun levens deden beiden goed en kwaad, ieder op eigen wijze en voor zichzelf. De wetten van oorzaak en gevolg brachten hen dus dan hier, dan daar. En áls ze elkander weer eens ontmoeten, herkenden ze elkaar niet, en wel doordat ze in hun eigen wetten leefden. Pas als álles goedgemaakt is, kunnen we elkaar op aarde bewust terugzien. Maar ik zei je al, meestal geschiedt dit aan déze zijde, omdat we op aarde dit verhoogde bewustzijn niet willen bezitten.’ ‘Wat zegt u daar, vader? Niet willen bezitten?’ ‘Ja, mijn jongen, zo is het. Wie op aarde wil zich voor al het leven van God buigen? Wie wil al dit leven liefhebben? Wie is daar in volle overgave bezig zich voor al dit leven in te zetten? Wie is in z’n liefde zó volstrekt dat niets, geen hard woord, geen daad hem in die liefde stoort? Wie haat daar niet meer en weet altijd en onder álle omstandigheden het vergevende woord te spreken? Wie wil zó leven, zó dienen en geven, en zich hierdoor een hoger, gééstelijk bewustzijn eigen maken? De mens weet, dat hij zó behoort te leven om aan Gods verlangen te voldoen. Maar hoevelen, vraag ik je, willen het? En toch dienen we zo te zijn, willen we gereed zijn voor onze tweelingziel. Hoe kunnen we voor haar of hem klaar zijn, als we niet eens de liefde bezitten voor onze medemens? Ik zei je al, boven de universele liefde staat de tweelingliefde, want zij is kosmisch. Nóóit ben ik voor de tweelingliefde gereed, als ik niet universeel liefheb. God vraagt veel, vraagt álles van ons, alvorens Hij ons toestaat, bewust in onze tweelingziel-toestand over te gaan. Maar zijn we zóver dan beleven we het machtigste, dat God ons schenken kan. Volkomen één in denken en voelen zijn we dan gereed Zijn universum te leren kennen, want zo talrijk, zo onbeschrijfelijk diep zijn Zijn wonderen daarin, dat we ze alleen niet zouden kunnen verwerken. Daartoe stelde God in Zijn oneindige wijsheid een wezen naast ons dat ons erbij helpen kan, verbonden door één gevoel, één gedachte, één liefde. Voor de tweelingzielen schiep God het universum, voor twee mensen, die Zijn ruimte vertegenwoordigen, als man en vrouw, als vader en moeder, want ook Hij is vader én moeder.’ Lang duurde het voor ik m’n volgende vraag stelde. Ik liet vaders woorden op mij inwerken. Zijn woorden, de diepte erin, kon ik niet ineens omvatten en het zou nog veel nadenken vergen voor ik zover was. Kosmisch-diep is dus de tweelingliefde. Vader en Angelica leefden hierin en miljoenen met hen aan deze zijde. Ikzelf, wist ik, was er nog niet gereed voor, maar luttele mensen op aarde, had vader gezegd, leefden in dit bewustzijn. Natuurlijk had vader gelijk. Ik dacht aan de mensen, die ik op aarde gekend had, en aan hen die ik peilde op de reis, die ik met vader maakte. Hoevelen leefden in volkomen harmonie met hun man, hun vrouw? En toch moest dat op z’n minst het geval zijn, wilde je ooit in de tweelingliefde kunnen overgaan. Hoever waren de mannen er dan nog wel van af die hun geluk zochten bij vele vrouwen en omgekeerd? Dat vader mij volgde in m’n denken, bewees hij door op deze gedachte in te gaan. ‘Hij, die zich daarop instelt, bewijst er mee dat hij de tweelingliefde niet begrijpt, er niet gereed voor is, haar te ontvangen. Hij moet zich van die verlangens geheel vrij maken.

Zij kunnen wel liefde in zich hebben, maar die liefde is niet bewust, ze is gesplitst. Zij zoeken slechts het stoffelijke-eenzijn te beleven, in dit geestelijke leven hebben deze zielen dan ook geen bezit aan liefde. Als eenmaal ons innerlijk leven aangeraakt is, als het nodige bewustzijn in ons is, dan kan het verlangen slechts naar één ziel uitgaan en niet naar drie. Wie dus meerdere vrouwen zoekt, met hen tot eenheid komt, moet aanvaarden, dat hij voor de tweelingliefde nog niet gereed is. Toch kan het zijn dat hij met een van hen tot een groter gevoel komt en een stadium van liefde bereikt. Maar als er bij hun eenzijn eigen driften bovenkomen, sluiten ze zich alweer voor de liefde af. Hun verbintenis had gezegend kunnen zijn, want ook de tweeling-liefde komt door het moederschap, door het éénzijn, tot de kosmische verbondenheid. Ze zouden een gevoel beleefd hebben dat de aarde ver vooruit is, ja, dat boven de universele liefde uitgaat en de tweeling-liefde raakt. Door het moeder-gevoel zouden ze zover gekomen zijn. Begrijp je de diepe betekenis hiervan, Theo? Luister dan. De moeder is het heiligste wezen in de kosmos. Ze heeft in haar toestand verbinding met God. Als nu de beide wezens die het eenzijn beleven, zich instellen op de moeder, stijgen ze ver boven het stoffelijke leven uit. Ze zijn dan waarlijk één en kosmisch is hun verbintenis. Maar zoals ik al zei, er moet dan geen hartstocht in hen zijn, hun verlangen mag niet uitgaan naar het organisme in plaats van naar de ziel, omdat in dit geval hun verbinding slechts stoffelijk is en zónder geestelijke betekenis.’
‘Ik geloof, vader, dat het eenzijn voor vele mensen die geestelijk gaan aanvoelen, een diep probleem is.’ ‘Wij weten, dat het zo is, Theo, toch moet de mens ook hierin bewust worden. Zo velen begrijpen van het eenzijn niets, doordat ze zichzelf niet begrijpen. Talloze kerkse zielen roept het eenzijn zelfs een halt toe. Aanvaard dit: Als we elkander waarlijk liefhebben is het een geheiligde daad. Slechts wanneer we alleen het organisme liefhebben en onze ziel terugvalt in hartstocht is alles aards en stoffelijk. Dan ontbeert onze daad elke geestelijke betekenis! Hij die echter de ruimte gaat voelen, eerbied en liefde bezit voor het zieleleven, waarmee hij zich verbindt, deze mens zal ook het andere leven dwingen zichzelf in te zetten, om tot een beleven te komen, dat waarachtig rein en geestelijk is en het onderbewuste leven doet opengaan. Wanneer dan een ziel wordt aangetrokken is het zelfs mogelijk tegelijk kosmisch verbonden te worden, waarna de liefde in deze beide mensen een hoger stadium bereikt.’ ‘Wat wil dit zeggen, vader?’ ‘Dat wil zeggen, mijn jongen, dat ons innerlijk door een dergelijke verbinding geopend wordt en dit geschiedt dan door het zieleleven dat wij aantrekken. De moeder in de allereerste plaats, doordat zij het nieuwe leven in zich ontvangt, draagt en tot groei brengt. Wij echter, doordat wij moeder en kind liefhebben, op de wijze, die God wil. Helaas is het evenwel maar al te vaak dat het scheppende wezen zich door aardse beslommeringen uit die toestand van geluk laat trekken, z’n liefdevolle aandacht voor de moeder en het wezentje in haar afneemt en ten laatste geheel ophoudt, zodat de moeder alleen blijft met al die machtige gevoelens die haar bestormen en waarover zij spreken wil, omdat ze ze alleen niet verwerken kan. Ze voelt zich dan alleen, de moeder, arm en aards… Wij moeten daarom altijd naast haar staan, haar volgen en liefhebben, dienen en steunen. Is die eerbied, is die reine, geestelijke liefde in ons en wordt zij door de moeder gevoeld en begrepen, dan bezitten wij op aarde een toestand van hemels geluk – een geluk dat ons opvoert, ruimer en dieper maakt – een geluk, dat door God gezegend wordt. En dat alles ontvingen wij dan door het reine eenzijn en het aantrekken van het nieuwe leven. Willen we in deze toestand leven, dan moeten we ons er geheel voor inzetten. Indien de wíl in ons is zal God ons in Zijn heilige wetten doen ontwaken en verandert ons gehele leven.

Dan is de moeder voor ons een heilige, natuurlijk alleen in geval ook zij naar deze toestand van geluk en dit bewustzijn streeft. Iedere verkeerde handeling, iedere snauw of hardheid, elk wanbegrip slaat gaten in de verhouding, waardoor het geluk wegvloeit. Niets blijft er dan over van het heilige contact dat man en vrouw bond. Door daarentegen iedere seconde, die God ons geeft, te benutten om dichter in het wezen naast ons te groeien, werken we mee aan de verinniging van een geestelijke band, die ons voor ons leven verzekert van het hoogste geluk, dat slechts door hen gevoeld en geëvenaard wordt, die hier tweelingzielen zijn. Eerst moeten we het leven naast ons kunnen dienen en beminnen met geestelijke kracht, dán pas zijn we gereed, de ziel te ontvangen, die de onze is.’ ‘Vader, kunt u mij zeggen, of dat gevoel al in mij is?’ ‘Je bent nog niet zover, mijn jongen. In je leven liggen nog verschillende verlangens die je volgen wilt. En deze kunnen niet in je zijn, als je voor de tweelingliefde staat. Nog roept het werk op aarde je. Dat heb je in de eerste plaats lief. Natuurlijk zal het je geestelijk gewin brengen, je bezig-zijn. Maar aanvaard, dat het je er van afhoudt je geheel en al open te stellen voor de tweelingliefde. Op aarde zien we dat ook. Velen worden daar door hun werk van hun liefde afgehouden. En toch liggen juist in die toestand zoveel mogelijkheden.’ ‘Kunt u me daarvan iets vertellen, vader?’ ‘Zeker is dat mogelijk, mijn jongen, als je me volgen wilt. Het gaat hierom. Neem eens het geval dat ik thans naast Angelica op aarde mocht leven en werken. Hoe zouden we dan handelen? Kun je aannemen dat ik door me geheel aan mijn werk te geven Angelica zou kunnen verwaarlozen? Nee immers. Ik zou me nimmer verliezen in m’n werk, want ik zou scheppend bezig zijn door het gevoelsleven van Angelica heen. Ik zou werken úit en dóór haar. Zij zou me bezielen, haar zou ik voortdurend in en onder m’n werk zien. Zij stond in mijn werk, kende het, volgde mij, stuwde mij, ving mij op. Doordat zij dus mijn werk bezielt, wordt er bereikt dat dit op zijn beurt onze liefde bezielt en groter en dieper maakt. We gaan dus nimmer uit elkaar, wáárheen m’n werk me ook zou voeren. We werken dan beiden en bouwen intussen aan de verruiming van ons geluk. En zo we ons dan nog geestelijk bekwamen ook, wordt ons innerlijk opgetrokken en groeit ons bewustzijn. ‘Maar zo leeft toch eigenlijk niemand op aarde.’ ‘Het is daarom, Theo, dat de aardse mensen de tweelingliefde niet kennen, of de liefde die deze graad van gevoel raakt. Daarom kennen zij niet wat wij hier bezitten en ons eigen maakten. Daar gaan ze eigenlijk telkens en telkens uiteen, doordat ze elk uur, ja, iedere seconde laten voorbijgaan om aan hun liefde, aan hun geluk te bouwen. Zij hebben de vrouw niet lief, maar hun werk. En de moeder wacht, ze voelt zich verwaarloosd, leeg, alleen, en het is haar alleen dan nog mogelijk liefde te voelen, als haar gevoelens voor hem groot en allesoverheersend zijn. Dus meestal is op aarde de toestand zo, dat de mensen door het werk hun contact verliezen, in een eigen wereldje gaan leven en daardoor hun band kapotmaken. Wij daarentegen winnen nog aan contact door het werk dat we verrichten, onze liefde krijgt er diepte door. Wij leven dus precies andersom dan op aarde. Er zijn er, die geloven, dat óf het werk, óf de vrouw verwaarloosd moet worden en dat je niet aan beiden tegelijk evenveel aandacht kunt geven. Zij hebben volstrekt ongelijk. Zó is het: het een bezielt me voor het ander. In m’n werk leg ik m’n liefde voor haar die naast me staat. Door hard te werken bewijs ik m’n liefde voor haar. Ik ben liefde als ik werk, ik ben leeg en arm als ik lui ben. M’n werklust stelt m’n innerlijke rijkdom of armoede vast. In het kort, Theo, ons leven schept, en door te scheppen groeit m’n liefde voor haar die me stuwt en bezielt. Door het werk ontmóéten we elkaar in plaats van uit elkaar te gaan. Is die harmonie eenmaal verkregen, dan is botsen niet meer mogelijk. Elke botsing zou een verwijdering betekenen, op den duur lost ons geluk erdoor op. Wij moeten dus nauwlettend ervoor zorg dragen disharmonie te voorkomen. Er zijn mensen op aarde die de eenheid, waarover ik sprak, bezitten. Zij hebben waarlijk lief, in hun leven bewijzen ze, dat ze de fundamentele wetten voor de geestelijke liefde en het geestelijke eenzijn hebben begrepen.’ ‘Als ik het dus juist aanvoel, vader, dan zal de mens in het leven hier alleen dát ontvangen, beleven en aan liefde bezitten, waarnaar hij verlangd en gestreefd heeft?’ ‘Zo is het, mijn jongen, je zult inderdaad niets anders kunnen ontvangen.

‘Het is dat, wat Angelica ons op aarde telkens ‘Ik heb het verlangen, vader, deze liefde te bezitten en toch moet ik aanvaarden dat die gevoelens niet in mij aanwezig zijn?’ ‘Je gevoelens raken deze wereld nog niet, Theo. Alle mensen, op een heel enkele uitzondering na, die zeggen lief te hebben, voelen zich nog aards. Ik vertelde je er zoëven al over. Ze zijn nog ver van dit waarachtige geluk verwijderd. Onze liefde gaat ver boven die van de aarde uit, zij schenkt aan ons het paradijs, want we zijn geheel één. Op aarde kunnen je verlangens en je liefde groot zijn, maar daardoor bezitten ze nog geen geestelijke betekenis. Ik kom hierop telkens weer terug, omdat je duidelijk het verschil moet voelen. Op aarde raakt de liefde het menselijk lichaam en pas als ze de ziel raakt is ze geestelijk en rein. Zover komen echter maar weinig mensen, immers groot moet wel ons bewustzijn zijn, of het menselijke wezen verliest zich in de geest, waar zo heel anders gevoeld en gedacht wordt. Onnoemelijk veel moet de mens op aarde inzetten en aan zichzelf schaven om zich die graad van liefde eigen te maken. Toch is dit te bereiken. Door onze liefde voelen we de reine gedachtesfeer van God. Door ons daarin in te leven verruimen en verdiepen we onze gevoelens. Op aarde breekt men echter door elke onberaden handeling, elk hard woord z’n ondergrond weer af. Hun gemis aan diepte en liefde wreekt zich dan. Onze gevoelens echter raken de schepping.’ ‘De schepping, vader? Wat bedoelt u hiermee?’ ‘Het wil zeggen, Theo, dat ik in mijn geval dóór Angelica in de ruimte kom. Door in haar leven af te dalen, zie ik in alle graden van de schepping die we beiden beleefd hebben. Onze liefde dus voert ons binnen in Gods leven, we beminnen dit. Zo komt er nimmer een stilstand in onze liefde. Telkens immers stuiten we bij het afdalen in het wezen dat ons toebehoort, op nieuwe wetten en wonderen. En naarmate daardoor ons bewustzijn groeit, kunnen we dieper afdalen in de schier onpeilbare toestanden, welke in de mens als vonk Gods liggen. Door dus door te dringen in het zieleleven naast ons komen we dieper in Gód en Zijn schepping, en leven we in het centrale stelsel van Hem, Die ons schiep. Het is diep, mijn jongen, wat je nu verwerken moet. Denk je maar eens in dat we, door het leven naast ons te peilen, in verbinding komen met alle lichamelijke en geestelijke graden, die het leven telt.

Zóver voert het ons als we wáárlijk van een mens houden, dát kan ons de liefde schenken! Is het dan geen wonder, dat er eerbied in ons komt voor het leven naast ons en dat geen hard woord meer onze mond kan verlaten? Is het geen wonder, dat we in onze liefde nimmer uitgeput raken en we diep ons hoofd buigen voor Gods schepping?’ ‘Is dat in deze sfeer voor eenieder te bereiken, vader?’ ‘Niet elk leven is ervoor gereed, Theo. Meestal gaan we eerst in de tweede sfeer in deze liefde over.’ ‘Maar waarom zijn die anderen er dan niet gereed voor vader?’ ‘Omdat die zielen zich evenals jij voor andere toestanden willen geven. Zij zijn op de aarde ingesteld en wie die gevoelens bezit, kan in het andere dus niet leven. Deze zielen voelen zich als de mens op aarde, dus stoffelijk, maar op geestelijke afstemming. Verkeerde daden kunnen zij niet meer doen, leugen en bedrog zijn bij hen uitgesloten, want hun leven is geestelijk bewust. Het vormt een geestelijke graad van de kosmische graden die de ruimte telt. Zij zijn echter nog niet los van de aarde en keren ernaar terug, wat astraal zowel als stoffelijk kan geschieden. Pas als die gevoelens opgelost zijn, gaan ze in het andere, hogere gevoelsleven over. Dan eerst kunnen ze zich ook voor de tweelingliefde gereed maken.’ ‘Is dat nu heus op aarde niet te bereiken, vader?’ ‘Zoals ik al zei, als je je álle moeite geeft om het je eigen te maken.’ ‘En nog eens vroeg ik het hem: ‘Als ik dus héél ernstig wil…?’ ‘Dan is het mogelijk, maar dan moet ook je ziel, voor de aarde je vrouw, ernstig willen, of je komt niet zo ver. Ik heb je daarvan al verteld, maar het dringt nog niet helemaal tot je door. De ernstige wil moet er zijn en dan moet er de geestelijke aanleg zijn. Een verkeerde gedachte stoort echter dit goede willen al en verbreekt het geestelijk contact. In je leven op aarde heb je ‘t al beleefd, kon je daar iets bereiken, als de ander niet wilde? In níéts mag je onbegrepen blijven. Je moet beiden álles van elkaar kunnen liefhebben. Door het werk, ik zei het je al, kom je zover. Andere krachten en machten mogen in geen geval door beïnvloeding jullie innerlijk leven storen, of deze stoornissen roepen je alweer het halt toe en je moet van voren af aan beginnen. Er is dan slechts sprake van aards voelen en denken, van aardse liefde. De tweelingliefde is echter lós van de aarde en álle aardse invloeden. Ze dringt door de ruimte heen en raakt in verbinding met de kosmische wetten.

Zo diep en krachtig wordt deze liefde dat ze zich door niets laat storen of neerhalen. Er moet dus evenwichtigheid in ons zijn, anders kunnen we nimmer een geestelijke hoogte bereiken. Onze liefde heeft ook al met de graden van het gevoelsleven te maken.’ ‘Welke zijn die, vader?’ ‘Je zult ze in ons leven leren kennen. Je vindt er de duizenden stoffelijke werelden in terug, waarin wij ons beleven opdeden, de drie eerste graden in het universum, de planetenstelsels dus, waarop wij leefden. In al die werelden bezaten we nog geen liefde, toch moeten we in gevoel daarin kunnen terugkeren, anders zijn we niet in staat het andere leven aan te voelen. Om kort te zijn, iedere handeling die door het wezen naast ons wordt volbracht, aanvaarden we in liefde, want alles wat dit leven doet is goed!’ ‘Maar dat kan toch op aarde niet, vader?’ ‘Daar heb je dan al een stoornis, Theo. We móéten het wezen naast ons aanvaarden in alles wat ze doet. Ze handelt naar haar gevoelsgraad. Haar moeten we optrekken. Nimmer mogen we dus een verkeerde daad afstraffen door er hardheid tegenover te stellen.’ ‘Om je dat eigen te maken, daar gaat wel een heel leven mee heen, vader.’ ‘Dat heb je goed gevoeld, Theo, zo is het. Wie echter ernstig wil, kan zich daarin bekwamen. Daar is ook levenswijsheid voor nodig. Die verkrijgen we door te denken. Leren denken is de opgaaf voor elk mens die een geestelijke hoogte wil bereiken. Door het wezen naast ons, ik zei het al, komen we regelrecht in God en Zijn heilige schepping. Haar moeten we dus volgen in haar denken, voelen en handelen. Zo dalen we in haar ziel af en leren haar kennen. Door te denken groeien we aldus in bewustzijn, maar tevens in liefde. Zo en zo alleen kunnen we in de tweelingliefde overgaan en er bewust in leven. Je ziet, Theo, het aardse voelen en denken moet geheel door ons worden losgelaten. De zielen die hier aan deze zijde nog aards ingesteld zijn, staan voor de opgave deze gevoelens af te leggen. Daartoe dalen ze in de hellen af en brengen er hulp. Anderen doen hetzelfde op aarde. Weer anderen worden opnieuw op aarde geboren en bereiken daar, dat ze hun stoffelijke gevoelens afleggen en het leven geestelijk leren beleven.’ ‘Zij beleven dan en leven als u op aarde, bedoelt u dat?’ ‘Iets dergelijks, Theo.’ ‘Ik geloof dat ik u begrijp. Toen u uw laatste leven op aarde beleefde, waren de goede gevoelens al in u. En Angelica hielp u verder om u het geestelijke bewustzijn eigen te maken.’ ‘Dit is er één voorbeeld van, Theo. Eenmaal los van de aarde kon ik het hogere bewustzijn binnengaan. Zo intens groot is dan ons geluk, m’n jongen, dat we ernaar verlangen ieder mens hierin te doen delen. Het is de reden, waarom ik steeds weer hetzelfde herhaal: mens van de aarde, maak u los van het aardse voelen en denken, en werk hard aan uzelf om u een hoger en geestelijk bewustzijn eigen te maken. God geeft u de mogelijkheid hiertoe, benut deze dan. Hemels geluk wacht u. Wie zich geestelijk leert instellen en de gevoelsgraden van het leven volgt, zal hoe langer hoe meer ervaren dat er diepte in hem komt en liefde en begrip. God wil, dat wij Zijn leven liefhebben. Maar hoe léér ik lief te hebben? Ik zei het al, wie mijn woorden volgt, bereid is alles van zichzelf in te zetten, zal eens zover komen dat hij zeggen kan: ik heb lief álles wat leeft. Onze gevoelens moeten daartoe loskomen van de stof. Nimmer kan er tussen man en vrouw van geestelijke eenheid sprake zijn als onze gedachten en gevoelens slechts naar het stoflichaam uitgaan en we het wezen naast ons zien als ons aards bezit. Wie de astrale weg bewandelt, zoekt daarentegen het innerlijk leven, de ziel. Dan komen er bijna geen stoornissen meer voor, want we vangen deze door onze grote liefde op. Onze liefde gaat dan in de ruimte over, wat zeggen wil dat zij het Goddelijke leven wil volgen, zoals Christus ons dat eens leerde. Wie in het leven naast ons de Goddelijke vonk ziet – ik zei het reeds – kent geen wanbegrip. En eerbied maakt, dat geen daad gesteld wordt, die het andere leven kan storen. Onze liefde voert ons naar God. We willen alles doen om Zijn leven te leren kennen en begrijpen. Want wij beseffen dat dit de enige mogelijkheid is om geestelijk te kunnen ontwaken en zich de waarachtige liefde eigen te maken.’ Het was alles even prachtig wat vader zei. Wat viel er veel over de liefde te zeggen. Hoe machtig werd zij aan deze zijde beleefd. Welk mens op aarde had zó lief? ‘Ja, Theo, toch is dat het geval. Er leven zéker mensen op aarde, die deze liefde raken. De een meer, de ander minder. Ook in de liefde liggen graden, werelden dus in voelen en denken.’ ‘Wat voel ik er nog weinig van, vader.

‘Zei ik je al niet, dat in jou andere gevoelens zijn?’ ‘Welk gevoel leeft er eigenlijk in u? Wilt u me dat zeggen?’ ‘Je staat hierop nog niet afgestemd, m’n jongen, anders had je het geweten. De mens op aarde zegt: ik heb lief. Al naar gelang zijn voelen en denken is, houdt hij van een mens, van mensen. Wat heeft hij in die mensen lief? Houdt hij volstrekt van ze? Bemint hij ook hun fouten? Heeft hij hen stoffelijk of geestelijk lief? Kijk, Theo, het antwoord op deze vragen toont de graad, de diepte van zijn liefde aan, toont aan of er eigenlijk wel van liefde sprake is. Hoe is onze liefde? Wat voelen wij? Wij met ons geestelijk bewustzijn voelen in het wezen, dat we liefhebben, het leven, de ruimte, de schepping, Gód. De ziel is het, die wij voelen. Daarmee weten we ons geheel verbonden. Al onze eigenschappen raken die van de ander, niets is er wat stoort. We hebben ons die graad van voelen en denken eigengemaakt. In die graden van ons gevoelsleven spreekt weer de ruimte, waarin we leefden. Als deze graden in ons bewustzijn liggen en zij door het andere leven worden gevoeld, dan raken we elkanders onderbewustzijn en kunnen hierna tot diepe, kósmische eenheid overgaan. Door onze liefde keren we dan tevens terug tot het allereerste stadium in de schepping. Ook daar waren wij één. God verbond toen onze levens. Onze liefde heeft daarmee dus verbinding. Hoe dieper we nu kunnen voelen en denken, des te dieper dringen we door in die eerste stadia. We voelen ons dan door God gedragen. We voelen ons in Zijn gevoelswereld opgenomen en leren Hem kennen als vader en moeder. Als we eenmaal zóver zijn in gevoel, heten we kosmisch-diep. We zijn dan waarlijk tweelingzielen en gereed dieper en dieper het Goddelijke plan binnen te treden. We werken ons door te dienen en te beleven zover op dat we de vierde sfeer kunnen binnentreden. Want onze liefde stuwt en bezielt ons om de directe aardse gevoelswereld geheel los te laten – en hiertoe behoren ook nog de eerste drie sferen – en het directe gééstelijke leven te aanvaarden. In de vierde en volgende sferen maken we ons gereed voor de mentale gebieden, waarover je onderweg al van Angelica hoorde. Deze behoren tot het kosmische stadium op een stoffelijke planeet. Daar worden wij zielen opnieuw als man en vrouw geboren en beleven er de schepping als stoffelijke mensen, maar met kosmische liefde en diepte in ons.

Nog in een ander opzicht hebben ze het niet makkelijk. Wij in ons astrale leven hebben geen stoornissen meer, doch op aarde temidden van het stoffelijke leven is dat anders. De stof trekt ons voortdurend uit ons geestelijk denken en voelen. En dat is heel natuurlijk. Alleen door te eten, ga ik tot stoffelijke werking over, wat op de ziel terugslaat. Eerst wanneer ik mij een sterke concentratie opgebouwd heb, zodat het eten mij niets meer doet, kan ik mij blijvend geestelijk instellen. Maar als het wezen naast mij dit niet kan, dan mis ik in haar het nodige gevoel en de natuurlijke intuïtie, zodat we onze verbinding op de volle honderd procent moeten verlaten. Als je dit goed duidelijk is, dan voel je, dat het stoffelijke leven geheel overwonnen moet worden. Je beseft wel dat het er maar heel weinigen zijn die dat kunnen en veelal zijn er bij hen geestelijke gaven aanwezig, die hen in verbinding brengen met de ruimte. Deze liefde, dit bewustzijn op aarde te bezitten mag dus wel een wonder heten. Wie het echter bezit, is aards en stoffelijk, geestelijk en kosmisch bewust, zij kennen een liefde, die ruimtelijk is. Deze mensen, Theo, ontvangen het grootste geschenk dat God aan Zijn kinderen te geven heeft. Machtig is hun liefde. Het is ieder mens mogelijk zich die eigen te maken en zoals gezegd, een ieder komt zo ver als hij er in ernst aan begint z’n stoffelijke verlangens en gevoelens af te leggen.’ Het moest wel heel moeilijk zijn, zo dacht ik, los te komen van die aardse gevoelens. En toch, dat voelde ik ook wel, waren ze een belemmering om hoger te komen. Hoe kon je ooit waarlijk gééstelijk klimmen als je gedachten en verlangens je telkens weer deden terugvallen naar de aarde? In de eerste sfeer stond je voor die feiten, daarom moest je vóór alles trachten los te komen van alle stoffelijk-geladen gevoelens. ‘Niet één ziel ontkomt hieraan, Theo’, vervolgde vader, mijn gedachten overnemend. ‘We moeten lós zijn van de aarde of de hogere bewustzijnsgraden blijven onbereikbaar voor ons. De tweede sfeer zou ons een halt toeroepen.’ ‘Zijn er hier in de eerste sfeer nog zielen vader, die men aansporen moet om hieraan te beginnen?’ ‘Ook deze mensen leven hier. Niet alle miljoenen zielen hier zijn gereed om eraan te beginnen. Je zult hen ontmoeten, Theo.

Velen denken en mediteren reeds lang en komen er toch maar niet toe.’ ‘En toch behoren deze zielen tot de eerste sfeer?’ ‘Zeker. Zij leidden op aarde een goed en oprecht leven en stemden zich op een van onze geestelijke graden af. Maar zij moeten aanvaarden dat zij nog geen bewustzijn bezitten voor de hogere graden in ons leven. Hun innerlijk is nog niet zo ver dat ze de ruimte willen leren kennen. Om je daarvoor klaar te maken wordt alles van jezelf gevraagd. Deze zielen missen de nodige bezieling, zij wandelen en denken, maar komen niet tot het directe dienen, waardoor we een hogere afstemming kunnen binnengaan. Je kunt ze vergelijken met die wezens op aarde die, deel uitmakend van de maatschappij, geen gevoelens in zich hebben om zich tot een hogere plaats op te werken.’ ‘En als ze nu eindelijk wél zover komen, wat gaan ze dán doen?’ ‘Vroeg of laat ontwaken deze mensen. Meestal keren ze dan naar de aarde terug, want deze is voor hen gereed.’ ‘Wat wil dit zeggen, vader?’ ‘Daarmee wil ik zeggen dat God ons door het stoffelijke leven op aarde talloze mogelijkheden schonk om tot ontwaking te komen. In het leven aan deze zijde is dat niet zo eenvoudig. Op aarde is het stoffelijke leven er echter voor ingericht en schenkt het ons duizenden gelegenheden om het leven van God te dienen. Hier kan dit alleen door eigen krachten geschieden, door onze wijsheid, de kennis van ons leven. Hoe zouden we onbewuste mensen willen helpen als we zélf geen kennis bezitten! Om in deze wereld zielen te kunnen opvangen, verder te helpen, moeten we ons in de wetten bekwamen. Dit kan hier slechts in de donkere sferen geschieden. Door het leven daar dat aan een hoger leven wil beginnen, te helpen, is het ons mogelijk zélf een verhoogde toestand te bereiken. Maar hoeveel méér gelegenheid biedt de aarde daartoe?! Laat ik een voorbeeld geven. Als een moeder het bewustzijn in het moederschap, in de moederliefde dus, wil behalen, moet zij terug naar de aarde. Deze geeft haar er de gelegenheid toe. Duizenden moeders zal je hier op je wandeling kunnen ontmoeten die dat beleven willen om zich daardoor de hogere liefde eigen te maken. Jij koestert de wens iets voor de wetenschap te gaan doen. Door terug te gaan naar de aarde krijg je er de gelegenheid voor. 
Tot zover dit gedeelte over Tweelingzielen. Wilt u het voltallige artikel hierover lezen, dan raden we u aan het boek:
Door de Grebbeline naar het eeuwige leen te lezen.





Google Analytics Alternative