ONTWAKING. 
Wat wil ik schrijven? Wat richting kiest mijn geest? Wil ik spreken van overvloed, 't begeerd bezit der rijken, of zie ik om naar al het leed, dat mij sinds ik ogen heb zo ruimschoots wordt getoond? Welk recht of onrecht zal Ik verdedigen of wel bestrijden? Voor welke daden kiest mijn hart? Zal ik barsten van de wanhoop? Wie draagt dezelfde smart? Of zal ik zingen, lief, gevoelig, van het heil dat ooit in Bethlehem werd gebaard? Ach wee, de wereld van de armen , is honger van het lijf wet erger nog dan lege harten? Is laag bewustzijn, diepe geestelijke slaap niet eigenlijk de grootste wond? Hoe kan mijn weten dienen? In welke strijd schuilt 't hoogst belang? Ach wist ik maar, ik kleine onmacht, waar mijn geringe kracht het best effect sorteert! Ik Wordt gek gebeuld met angstpsychosen, met beelden van zo menige ramp. Mijn hart krimpt samen en mijn maag verkrampt. Na´ef als Ik ben, ben ik dankbaar voor het kleinste teken, waarvan ik echter zelden 't heilig waarzijn ken. Ik klamp nog al te vaak me vast aan de schijn van 't onwillig breken van harde koppen die immer onrecht dienden, zeer bekwaam.

Doch waarvan ik voel dat buiging niet van binnen kwam. Waarheen moet al dat leed ons voeren? Of ben ik angstig voor mijn eigen huid? Is het dßt, wat achter al mijn preken, verscholen ligt, met klein geluid? Wil ik niet eerst die anderen bekeren? Hen brengen in die schone staat? Om SAMEN, NIET alleen, die sferen te gaan winnen, nog slap als het om eigen benen gaat? Is dat niet slechts wat schoon gepraat? 'k Wil bidden om wijsheid, maar wat als die het trage oog tot snel bezien van werkelijkheden schoolt? Is dan die waarheid voor mijn klein vermogen niet te groot? Is niet mijn hart te klein voor heel deze wereld? Te eng mijn ruimte en de draagkracht, mijn gevoel, mijn liefde? Te vaak beperk ik mij tot troebel staren, naar 't luid geweld en het krachtig kwaad, dat, zo ik nu weet ook aan mijn eigen hand ontsproot. Soms zou ik zelfs het gek zijn wensen en vaker nog kies ik de vlucht, zoek ik een afgesloten eiland als het paradijs, maar wat ik vind is spiegeling slechts van een verre lucht. Ach éénheid, Liefde, welk een schone woorden, wat wil die zoetheid tegen geweld van al die stenen zielen? Is dat vertrouwen wel vertrouwd?

Zou ik beter kleppen kunnen kopen voor mijn oog, met smalle spleet, waardoor ik kijken kan naar boven een beetje scheel, zo in de hemelpoort? Maar zou ik dan niet duizend eeuwen kunnen staren, zonder dat één God mij hoort? Kom...,zeg mij hoge sferenbroeder, wat past het best mijn instrument Welk lied zal ik daarop verklanken? Zeg mij dat voor mijn arm verslapt, voordat mijn schrijden, strompelen wordt. Voordat ik sterf van overbodigheid: Ik zal aanvaarden dat het zingen van dit bang gezang voor mij een teken is. Een aanvang van een mooi geluid, dat ik niet zélf kan componeren, als ik niet eindloos luister naar die ijle toon. Als ik in overmaat blijf luisteren naar al 't gekrijs, zal ik die zachte fluistering niet kunnen horen, die dringt slechts in een stilte door. Een stilte die met angst en beven niet voelbaar wordt en met opstandigheid nooit komt tot diep beleven. Die nooit met drang tot voortijdig handelen tot baring kan geraken, maar slechts geboorte ontvangt in 't diep gebogen hoofd. In een hart dat kloppend voelen gaat slechts kan gedijen, een groei beleven kan, waarvan de Aarde nog te weinig heeft gehoord.
P. L. H.  









Google Analytics Alternative