LIEFDE EN BARMHARTIGHEID. 
De bezetenheid is zo oud als er ,,hellen" zijn en de menselijke afbraak bestaat. Zij is het afschuwelijkste masker, de ergste verkrachting, vernedering en bezoedeling van de menselijke geest en lichaam, die men zich kan voorstellen. Je kunt soms eerder een mens fysiek vermoorden, dan de bezetenheid -- hoe dan ook -- in de hand werken. Of je dit nu bewust of onbewust doet -- dit is toch wel de grootste aller zonden, die een mens -- of mensen kunnen begaan: ,,Een ziel geestelijk en lichamelijk helpen vernietigen, haar aan de ,,duivel" helpen uitleveren en misschien trots op deze prestatie zijn, het slachtoffer ,,heilig" te laten verklaren, met de orchideetjes van de paus erbij voor moeder Overste, de mére, die de zaken van Christus en het vrouwtje, dat Zijn bruid wilde zijn, zo uitstekend wist te behandelen!" En daarmee zijn wij reeds midden in het onderwerp van vandaag. Wij hebben in dit geval geen lange inleiding nodig, het onderwerp spreekt voor zich zelf, want het gaat om iets weerzinwekkends, waar je tot aan de hals in de modder komt te staan, in een geestelijke stank terecht komt, waarbij het je moeite kost, om onder het schrijven niet onwel te worden. Geen nog zo op het dierlijke afgestemde asfaltcolportage, geen Dachau of Buchenwalde, zal ooit in staat zijn, de menselijke waardigheid en oorspronkelijke kiesheid van de geest, het onaantastbare, sacrale in de mens, dat de ziel is, de Vonk God's, zodanig te schenden en te bezoedelen, als dit gebeurd is met de ,,Zending van Zuster Jozefa Menendez", een Spaanse kloosterzuster die bij de ,,negen bruiden van Christus", door Hem werd ingelijfd en de bezetenheid moest aanvaarden!  

Het boek, dat deze in feite waanzinnige historie vertelt, die door de kerk van Christus als ,,Goddelijke Openbaring" werd geautoriseerd, draagt als titel: ,,Liefde en Barmhartigheid" en is in 1954 in de derde druk verschenen bij Desclee de Brouwer in BelgiŰ. De bewerking, naar de oorspronkelijke Franse Uitgave ,,Un Appel a L'samour" en de inleiding en nabeschouwing zijn van Dr. Naaijkens M.S.C. , Z.H. Paus Pius XII, toen nog Kardinaal Pacelli, voorzag het boek van een introductieschrijven van de volgende inhoud: April 1938. Ma Reverende Mere. Ongetwijfeld zal de publicatie van deze bladzijden aangenaam zijn aan het Goddelijke Hart van Jezus. Zij zijn immers vol van de grote liefde, die zijn genade wist te wekken in zijn nederige dienares Zuster Maria Jozefa Menendez. Mogen deze bladzijden krachtig er toe bijdragen om in vele zielen een altijd groter en liefdevoller vertrouwen te verwekken in de oneindige barmhartigheid van dit Goddelijke Hart voor de arme zondaars die wij allen zijn. Dit is de wens, die ik uitspreek terwijl ik u zegen, u zelf en geheel de SociŰteit van het Heilig Hart. Prachtkansen -- die wij niet lusten! Wat de inleiding en nabeschouwing betreft, bepalen wij ons tot de delen, waarin de godgeleerde, dhr Naaijkens, aangemoedigd door het fiat van de Kardinaal, zijn mening en conclusies omtrent het mystieke gebeuren, weliswaar in voorzichtige termen formuleert, maar toch aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Het begint dan zeer geheimzinnig en veelbelovend: ,,Dit is een boekje met wonderbare onthullingen. Het bevat iets van de Goddelijke openbaringen, die Jezus deed aan een heel bescheiden Zuster van het Sacre Coeur. Het is niet waarschijnlijk, dat de grote wereld er zich ook maar een ogenblik om zal bekommeren. 

Het bovennatuurlijke is haar immers te irreŰel. Wij zelf wachten omtrent alles wat hier geschreven staat -- en er is nog zoveel meer, dat de meeste van onze landgenoten hierover nog niet hebben vernomen -- rustig het oordeel af van Gods Kerk. Laten wij ons echter bij de lezing van dit hoogst ernstige boek een ogenblik bezinnen. Als dit inderdaad een hernieuwde openbaring is van Christus liefde en barmhartigheid, dan handelen wij zeer onbedachtzaam deze woorden van de Zaligmaker der wereld, zonder meer naast ons neer te leggen. Na het woord van Kardinaal Pacelli is de lezing en de adhesie van ons geloof in dit geschrift werkelijk geen roekeloze daad. Overigens, er zijn andere mannen van gezag die menen, dat dit alles volkomen betrouwbaar is. Wat verliezen wij prachtkansen (!) in ons leven als alles wat hier volgt, inderdaad de volle waarheid is en wij om allerlei kleine menselijke redenen zouden doen alsof het niet zo was. En dit laatste zal natuurlijk bij velen gebeuren. Zo was het immers in Christus leven, zo is het altijd wanneer God spreekt, in of uitwendig." Tot zover de inleiding. De heer Dr. Naaijkens heeft het over de ,,prachtkansen" die wij verliezen, als wij aan deze wonderbare onthullingen niet gaan geloven. Maar wij kunnen hem verzekeren, dat wij eerder rillen van wanhoop en afgrijzen, als wij deze prachtkansen straks het masker afrukken en u laten zien, welk een geestelijk vergif daar achter schuil gaat, een vergif, dat misschien nog door duizenden goedgelovigen geslikt wordt en onherroepelijk tot excessen moet leiden, zoals deze zich hebben voorgedaan met dat zustertje van de SociŰteit van het Heilig Hart in Poitiers. Want -- haar ,,uitverkiezing" is een waarlijk verbijsterend voorbeeld voor de noodlottige uitwerking, die een overgeven aan bovennatuurlijke krachten en machten voor de mens kan hebben, die zich, zij het dan onder het mom van een religieus verlangen of bezieling, op het mystieke of occulte pad wil begeven, zonder daartoe de beschermende kennis van zaken te bezitten. 

De Kerk werkt deze geestelijke ontsporing van haar leden sterk in de hand, doordat zij uit gebrek aan werkelijke kennis van God en Zijn Schepping, haar geestelijke gaten met een mystieke specie dicht, een specie, die de ,,ingewijde" beslist zal afkeuren! Het drama begint! Wat zijn nu de feiten. Een Spaans meisje, Jozefa Menendez, geboren op de 4de februari 1890 te Madrid, werd -- aangemoedigd door haar biechtvader en priesters, die haar vertrouwen genoten, -- op dertigjarige leeftijd zuster van de Congregatie de Religieuzen van het H. Hart van Jezus -- meer bekend als ,,Sacre-Coeur". ,,Toen de kleine, levendige Spaanse de drempel van de oude Abdij ,,Les Feuillants" te Poitiers overschreed, vermoedde daar niemand welke ,,stroom van genaden Christus over haar zou uitstorten en door haar over talloos velen", aldus het boek. Na enkele maanden kloosterleven wordt het haar te machtig en wil zij weer terug naar haar vroegere staat van maatschappelijk leven. ,,Maar men houdt haar wijselijk voor, zich eerst nog eens te bezinnen" en dan gebeurt het -- 's avonds gedurende het aanbiddingsuur voor het Allerheiligste -- dat zij ,,aangeraakt" wordt! ,,Ze voelt ineens op een buitengewone wijze de Goddelijke tegenwoordigheid. Deze bijzondere gunst blijft dagen, zelfs wekenlang aanhouden. ,,Ik genoot onmetelijke vertroosting," schrijft zij, ,,maar ik heb vooral goed begrepen, wat het Goddelijke Hart mij wilde leren". Zeer bijzondere genaden worden nu haar deel, -- zo gaat het boek verder -- maar buiten de Overste en de Assistente, zullen de religieuzen tot het einde toe onkundig blijven van de verbazingwekkende dingen, die zich afspelen binnen de muren van dit huis.In een klein boekje tekent Jozefa aan wat ze ondergaat en wil onthouden. 

Zo bijvoorbeeld op het feest van St. Petrus en Paulus: ,,Gedurende de H. Mis even voor de opheffing van de H. Hostie zagen mijn ogen, mijn arme ogen, mijn welbeminde Jezus, mijn Heer en mijn God! Ik kan niet zeggen wat er gebeurde, maar ik zou willen dat heel de Wereld dat geluk kende. Ik was geheel ontdaan. Hij echter zij: ,,Zoals Ik Mij opofferde als slachtoffer van liefde, zo wil Ik ook dat jij slachtoffer zult zijn. De liefde weigert niets." Ik kon niet anders zeggen dan: ,,Mijn God, wat wilt Gij dat ik doe, ik ben de Uwe." Toen verdween Hij. En op de dag van mijn inkleding na de H. Communie kon ik Hem slechts herhalen: ,,Mijn God, ik ben voor altijd de Uwe." Jij mijn Bruid    ------     Ik je Bruidegom. Ondanks de bovennatuurlijke bevoorrechting die Zuster Jozefa zo kort na haar intrede ten deel viel, -- aldus het boek, heeft de Goddelijke Zaligmaker met de eigenlijke uitverkiezing van zijn slachtoffer (!) gewacht tot de dag der inkleding. Twee dagen na deze plechtigheid toonde Hij haar weer Zijn Hart, dat door zes doornen werd gewond en Hij herhaalde de reeds vroeger gedane vraag: ,,Jozefa, wil je die doornen wegnemen?" Tegelijkertijd biedt Hij haar het lijden aan. Na dagen van troost komen weer dagen van grote duisternis. Zij is bang voor de Goddelijke gunsten, die zij heeft ontvangen. Zij hoort een stem die haar zegt, dat zij op weg is naar haar ondergang. Maar Jezus verschijnt haar en zegt: ,,Als je trouw blijft, zal Ik je de rijkdom van Mijn Hart tonen. Je zult Mijn kruis dragen, maar ik zal je overvloedig zegenen als mijn veelgeliefde bruid." En een andere keer horen wij Christus zeggen: ,,De beledigingen van de mensen kwetsen Mij diep, maar niets doet Mij zoveel leed als de ontrouw van mijn bruiden. Van de vijf doornen, die je al hebt verwijderd, waren de twee eerste, zielen van religieuzen, die Ik met weldaden had overladen, maar zij bleven met hun liefde bij de schepselen en dachten niet aan Mij: Ik riep hen om ze tot hun leven van liefde terug te voeren, zij hoorden Mij niet en Ik stond op het punt ze los te laten. Nu zijn ze gered. De drie anderen waren uitverkoren zielen, maar koud, zo koud, dat de maat (!) van mijn gerechtigheid bijna overliep. Ik zoek liefde, Ik verwacht liefde van de zielen die Ik heb vrijgekocht met Mijn bloed en vooral verwacht 

Ik ze van Mijn bruiden" -- en sprekende van de zesde: ,,Als je bereid bent om te lijden, zal Ik op die ziel wachten. Maar Ik kan haar niet vergeven zolang zij zelf geen vergiffenis verlangt. Ik heb haar geschapen zonder haar medewerking, maar ze is vrij zichzelf te redden of voor eeuwig verloren te gaan." Dan weer verschijnt haar Jezus ,,overweldigend van hemelse schoonheid". Jozefa vraagt naar de ene doorn, die zo lang Zijn Hart gekweld had. ,,De doorn? Die is er niet meer; want niets is zo sterk als de liefde en die vind Ik bij mijn bruiden." En als ze Hem vraagt, of zij toch Zijn bruid mag worden, indien ze Hem heel trouw is, zegt Hij: Geef je over in mijn handen, Jozefa: Ik zal Mij van je bedienen zoals Ik dat wil. Ik zal je nemen, als Ik je nodig heb, wan je behoort Mij toe. Je kleinheid en zwakheid doen weinig ter zake, wat Ik voor alles vraag is, Mij lief te hebben en Mij te troosten. Je moet zijn als zachte was, die Ik kan vormen, zoals Ik zelf wens." Na een volgende verschijning tekent Jozefa aan: ,,Ik kon Mij niet weerhouden te denken: als Ik alles geweten had, was Ik nooit gekomen. Die gedachte kwelt me: Ik geloof dat niets van dit alles gebeurd zou zijn, als Ik in de wereld was gebleven en iedere dag wordt Mijn angst groter." De volgende dag toont Jezus Jozefa weer Zijn gewond Hart met de woorden: ,,Zie eens in welke toestand de ontrouwe zielen Mij brengen (!) . Zij weten niet hoe lief ik ze heb. Daarom verlaten zij Mij. Wil jij tenminste Mijn wil volbrengen?" Jozefa had duizenden angsten, vertelt het boek. Zij zweeg, zij durfde niet toestemmen. Alles in haar kwam in verzet. En ineens was Jezus weg. En dan verschijnt ten tonele -- u raadt het niet, geachte lezer, -- de H. Maagd met de woorden",,Als je weigert de wil van mijn Zoon te doen, zul je Zijn Hart verwonden. Stem in alles toe wat Hij vraagt, maar schrijf jezelf niets toe. Ja, mijn kind, wees heel nederig." 

Daarmee is het lot van de kleine Jozefa bezegeld, want na deze scŔne krijgt Jozefa verlof van haar Oversten om zich aan te bieden. 's Avonds ziet ze Hem weer. Zij biedt zichzelf opnieuw aan en belooft niet meer te aarzelen. Hij legt Zijn hand op haar hoofd met deze woorden: ,,Als jij Mij niet verlaat, zal Ik van Mijn kant je nooit aan je eigen lot overlaten. Voortaan, Jozefa, moet je Mij nog slechts Vader en Bruidegom noemen. Als je trouw blijft zullen wij dit Goddelijke verbond sluiten: jij bent Mijn bruid, Ik ben je Bruidegom." Het masker der controle! Ja, geachte lezer, het is haast niet te geloven, je wordt er zelf bijna gek van, als je dat allemaal leest. En dan nog te denken, dat deze ziekelijke ,,romance" in aller ernst door één der machtigste en invloedrijkste instellingen die de wereld kent en die zich de kerk van Christus noemt, goedgekeurd en getolereerd werd en in duizenden deftig opgemaakte boekjes, als een nieuwe manifestatie van de H. Geest, over de wereld de religieuzen, kloosterjuffrouwen en leken, kerkelijke intellectuelen en ouden van dagen, verspreid en aanbevolen wordt, dan voel je wel, dat de helsheid van de gedachtewereld van een Adolf Hitler nog lang niet het laatste was, waarin het menselijke zielenleven kon afdalen. God bewaar ons allen voor zo een monsterachtig Christusbeeld, zoals het hier vertoond werd: ,,Kus mijn handen, kus ook mijn voeten, herhaal met mij: ,,O, Vader! Is het bloed van Uw Zoon niet kostbaar genoeg? Wat wenst U nog meer? Zijn Hart, zijn Wonden, zijn Bloed, alles offert Hij u op voor de redding van die zielen", zo spreekt deze ,,Jezus" en vervolgt dan: ,,Nu laat ik je alleen, want één van mijn andere bruiden verwacht Mij. Je weet, er zijn er negen, de uitverkorenen van mijn Hart! 

Morgen om één uur -- (na het eten bedoelt hij zeker!) Kom Ik weer en zal je opnieuw mijn Kruis afstaan. Tot spoedig! Ik had dorst, jij hebt Mij te drinken gegeven, Ik zal je beloning zijn." Schrikt u niet, geachte geestverwanten? Neen, CHRISTUS, zoals WIJ Hem door de kosmische Wetenschappen -- door de ,,Paulus van deze Eeuw'', door JOZEF RULOF, hebben leren kennen, zal door dat afschuwelijke tafereel niet bezoedeld kunnen worden! Dat is niet mogelijk. Maar wat wel hierdoor bezoedeld en besmeurd werd is de menselijke geest, de persoonlijkheid, de Vonk Gods, die zijn heilige zelfstandigheid als ziel, geest en stof kwijt is en een prooi werd van vreemde invloeden. Laten wij even daarbij stilstaan, geachte lezer. Van talrijke maskers, die dit obscure toneel telt, zullen wij één daarvan nader beschouwen.  ,,Jozefa ontving vanaf het begin der verschijningen het bevel alles op te schrijven wat zij zag en hoorde, aldus het boek. Dit bevel viel haar niet moeilijk, want deze taak verschafte haar de mogelijkheid de overvloed van haar gedachten en gevoelens te uiten. Maar spoedig ontdekte zij -- zo heet het verder, dat alles wat zij schreef -- voor haar zelf alleen zoals zij aanvankelijk meende -- een middel ter controle was voor haar Oversten." Op het eerste gezicht klinkt dat erg netjes: ter controle voor haar Oversten, maar -- als nu deze Jezus geen echte Jezus was, wie was het dan, die zich voor het ,,Heilige Hart'' uitgaf en het vrouwtje op hol bracht? Die de controle beval en als H. Maagd optrad? Want wij hebben geen redenen, om de eerlijkheid van deze berichten in twijfel te trekken. 

Wie het werk van JOZEF RULOF kent, deze Grootmeester in het Occultisme, die weet ook wat ,,hellen'' zijn in het Hiernamaals, wat ,,demonen'' zijn en hoe de BEZETENHEID in de wereld is gekomen. Wie een studie van dat werk heeft gemaakt, voor die is de toestand van Jozefa Menendez zo helder als wat en men moet blijkbaar wel in een theologische mist opgegroeid zijn, om het masker van dat ziekelijke verschijnsel niet terstond te doorschouwen: Bezetenheid! De ,,controle'' was één der geraffineerde streken van, de ,,astrale geest'' , of geesten, die deze arme ziel in hun klauwen kregen, om de Overste, die hij anders niet kon bereiken, in het complot te betrekken. Hij maakte daarbij gebruik van zekere eigenschappen van deze mére, die op dat gebeuren afstemming hadden; haar ijdelheid, die gestreeld werd door het feit, dit in haar klooster en onder haar toezicht het goddelijke wonder plaats vond; haar vatbaarheid voor die mystieke specie, waarover wij het hadden en misschien ook van haar begrijpelijk verlangen naar een beetje afwisseling der eentonigheid van het kloosterlijk gareel. Want de goedkeuring der Oversten en de gewenste hulpverlening in de persoon van Pater Boyer, Prior der Dominicanen te Poitiers, die ,,veel kennis had van het mystieke leven en zeer ervaren was in de kunst der geestelijke leiding'' zoals het heet, braken tenslotte het laatste verzet van Jozefa tegen de geest, die haar uitverkoren had, zijn bruid te zijn! De Kerk aanvaardt geen leven na de dood. De Kerk is onbewust en kent alleen haar eigen dogmatisch eeuwigheidbegrip: of -- de ziel gaat in de hemel in aanbidding over, of het vagevuur, of de eeuwige verdoemenis is haar lot! Dat er in het Hiernamaals ook nog wezens zijn -- astrale geesten dan, ongelukkigen en demonen -- die de aardse genoegens niet kunnen en willen missen en zich voor dat doel in de aura van de stoffelijke mens wringen, de aardse mens in bezit nemen en zich in hem uitleven, waardoor de mens de bezetenheid moet aanvaarden, is voor de Kerk en helaas ook grotendeels voor het buitenkerkelijke bewustzijn, nog een boek met zeven sloten! JOZEF RULOF heeft deze toestanden zeer nauwkeurig beschreven en kon niet slechts de Kerk daar heel wat van leren, maar vooral ook de medische wetenschappen, de psychiatrie en de psychologie. 

Tot hen zegt Jozef Rulof bij monde van zijn geestelijke leider, in het boek ,,Zielsziekten van Gene Zijde bezien'': ,,Uw onderzoek der ziel, de kennis die gij hiervan bezit, is en blijft aards. Wanneer u ons leven aanvaarden kunt -- (het leven na de dood) ligt de ziel in al haar diepten en verleden voor u open, zodat gij het verleden kunt zien. Gij zult dan niet alleen de mens leren kennen, doch gij kunt al deze krankzinnigengestichten voor feestgebouwen gebruiken.'' Inderdaad speelt het verleden -- het verleden der ziel -- want de ziel heeft een ,,verleden'' dat misschien miljoenen jaren oud is, ook in het geval van Jozefa Menendez een grote rol. Want ook de ,,Godsdienstwaanzin'' komt niet zo maar aangewaaid en is geen willekeurig verschijnsel. Het zielenleven, dat zich daarin verliest, heeft door zijn ,,voorlevens'' stellig daarmee te maken en moet dit drama ondergaan, anders komt het niet vrij van eigenschappen, welke daarop afstemming hebben. Dit zijn leerstellingen uit de Kosmologie van Jozef RULOF, een gigantisch werk, waarvan heden ten dage iedereen kennis kan nemen. Wij vertellen u dus geen sprookjes uit de eigen keuken, dat bewustzijn zouden wij helemaal niet bezitten, maar wij geven weer, wat de ,,ingewijde''  en het meesterlijke woord uit de Ruimte daarover te zeggen hebben. En wij weten, dat dit de zuivere -- de Goddelijke Waarheid is. Onder duivels invloed! Jozefa Menendez voert een vreselijke strijd. ,,Jezus, Jezus, verlaat mij niet!'' zo smeekt zij en zij bekent, dat ,,afschuwelijke gedachten zich van haar meester hebben gemaakt, zodat ze dikwijls op het punt stond, onwaardig te communiceren.''  ,,Ik geef je al die genaden (!) alleen omdat je trouw bent, omdat je aan Mij gehoorzaamt en aan je Overste, die Mij vertegenwoordigt,'' zegt de geest, die zich Jezus noemt en een andere keer: ,,Het is het gebrek aan liefde, dat Mij zo verwondt, het is de minachting van de mensen, die als dwazen hun ondergang tegemoet snellen. Zo talrijk en zo zwaar zijn de zonden die men begaat, dat de maat van de goddelijke toorn (!) zou overlopen, als zij niet werd weerhouden door de uitboeting en de liefde van mijn uitverkoren zielen. 

Mijn liefde voor de zielen en zeer in het bijzonder voor jouw ziel, Jozefa, is zo groot, dat ik de vlammen van mijn brandende liefde niet kan tegenhouden. Ondanks je onwaardigheid en je ellende, zal ik Mij van jou bedienen om mijn plannen ten uitvoer te brengen.'' Kort daarop schrijft Jozefa de volgende bekentenis neer: ,,Mijn ziel wordt gefolterd door afgrijselijke voorstellingen die de ,,duivel'' in mijn verbeelding oproept. Ik ben naar het kapelletje van de H. Maagd gegaan in het noviciaat, om Haar te smeken toch niet toe te laten, dat ik bezwijk. Plotseling kwam zij bij me, heel moederlijk, met deze woorden: ,,Kind, ik zal je iets leren van veel belang. De duivel is als een woedende hond; maar hij ligt vast, d.w.z. hij heeft maar een beetje vrijheid. Hij kan dus zijn prooi alleen grijpen en verscheuren als zij dicht bij hem komt. Om zich van haar meester te kunnen maken, is het juist zijn gewone tactiek, zich te vermommen als een lam.'' Eerst richt de kracht van de duivel zich gedurende negen lange maanden tegen haar roeping, om haar, nu het nog tijd is, van besluit te doen veranderen, -- aldus het boek. Niets blijft onbeproefd om haar wil te doen zwichten; hevige bekoringen, vrees voor verantwoordelijkheid, die door duivels inblazing verpletterend en bovenmenselijk lijkt; leugenachtige woorden, die haar geweten verontrusten; bezetenheid, die haar als het ware ,,een dubbel bestaan laat leiden'': haar laat denken wat zij niet gelooft, laat zeggen en doen wat zij niet wil zeggen, noch wenst te doen, terwijl zij bij dit alles niet ziet, dat zij onder duivelse invloed staat. Satan verschijnt in dreigende of bedrieglijke gedaante, zij wordt geslagen, meegevoerd, gepijnigd door brandwonden; het is een storm van verschrikking, waarin zij schijnbaar zal moeten vergaan. ,,Ik heb in mijn verbeelding -- bekent zij wanhopig -- zulke ontzettende voorstellingen, dat ik niet weet, wat ik doen of denken moet. En wat mij het meest doet lijden, is, dat ik nooit dergelijke bekoringen heb meegemaakt en ik ook nooit iets anders hier op aarde verlangd heb dan geheel aan Jezus toe te behoren.'' Maar de H. Maagd verscheen haar weer met de woorden:

,,Wees nergens bang voor, Jozefa. Jezus heeft een verbond van liefde en barmhartigheid met je gesloten. Alles is je vergeven en ik, ik ben je Moeder.'' En toen Jezus kwam -- zo vertelt zij verder -- zette Hij de doornenkroon weer op mijn hoofd en sprak: ,,Ik wil dat je goed nadenkt over de woorden van mijn Moeder: dat Ik een verbond van liefde en barmhartigheid met je heb aangegaan. De liefde wordt nooit moede, de barmhartigheid raakt nooit uitgeput. Zie, dit verlang ik van je: je moet je overgeven, je laten verteren, je laten vernietigen, opdat Ik in je kan leven (!). Waar zou je elders de vrede kunnen vinden, die Ik je laat smaken? En toch ken je de eigenlijke zoetheid daarvan nog niet!'' En na dit hemels intermezzo, waarin Jozefa zo onmiddellijk contact mocht hebben met de bovenaardse werkelijkheid, begint weer de verschrikkelijke beproeving. Een nieuwe macht is de duivel blijkbaar over haar toegestaan. Voor het eerst nu hoort ze de stem van de duivel, die haar voortaan dag en nacht zal achtervolgen door de gangen, in het noviciaat. In haar werkkamer, op de slaapzaal.  ,,Je zult van ons zijn, ja, ja, je zult de onze zijn! Wij zullen je afmatten, wij zullen je overwinnen'' enz. De stem verschrikt haar wel, maar beneemt haar toch de moed niet. ,,Als de vijand je wil doen vallen, zeg hem dan, dat Hij die je steunt met goddelijke kracht, altijd bij je is,'' zegt haar het andere leven, dat zich Jezus noemt. ,,sindsdien,'' noteert Jozefa laconiek, ,,heeft de duivel me erg gekweld.'' In de nacht van 4 december onderging zij een nieuwe kwelling. Met geweld uit haar bed gesleurd, werd zij op de grond geworpen en van alle kracht beroofd onder de slagen van een onzichtbare aanvaller, die haar grofheden zei en tegen de Zaligmaker en de H. Maagd de afschuwelijkste godslasteringen uitbraakt. Zo gingen vele uren voorbij. Dit moment begon echter opnieuw en was nog heviger in de twee volgende nachten. En toen Jozefa tenslotte aan het voeteinde van haar bed bleef knielen, hoorde zij plotseling tandenknarsen en een schreeuw van razernij. 

Toen was alles voorbij en de H. Maagd stond voor haar: ,,Wees niet bang, mijn kind, hier ben ik.'' ,,Ik zei Haar, dat de duivel, van wie ik zoveel heb uit te staan, me zo'n schrik aanjaagt.'' ,,Hij kan je wel kwellen, maar schade toebrengen kan hij niet. (Jozefa overleed tenslotte aan algehele uitputting!!) Zijn woede is zo groot, omdat hem zoveel zielen ontsnappen, de zielen zijn van zo grote waarde! Als je de waarde van een ziel eens kende!'' Bij het vallen van de nacht bracht de Zaligmaker weer zijn kruis. ,,Wat een zonden,'' sprak Hij ,,en hoeveel zielen zullen deze nacht naar de hel gaan! Wees jij tenminste, Mijn troost en herstel zoveel ondankbaarheid. Hoe lijdt Mijn Hart als het ziet, dat alles wat Ik gedaan heb, voor zoveel zielen nutteloos is. Deel met Mij dit lijden. Neem Mijn kruis en blijft met Mij verenigd.'' En toen stond ik voor een gek! Wij moeten met deze bloemlezing volstaan, geachte lezer. Als u het nu nog lust nog meer van deze wonderbare onthullingen te weten te komen, moet u maar het boekje ,,Liefde en Barmhartigheid'' zelf ter hand nemen. U weet dan tenminste, in welk een modderpoel de menselijke geest terecht kan komen, als hij de grenzen van zijn eigen bewustzijn -- zijn gevoel -- overschrijdt en zich in handen van een kerkelijke Mystiek begeeft, die eerder op de hellen, dan op hemelse sferen afstemming heeft. 

DIT BOEKJE IS HET GEESTELIJK WETENSCHAPPELIJK BEWIJS HIERVOOR. In zijn nabeschouwing zegt de godgeleerde Dr. Naaijkens o.a. het volgende: ,,Men kan de draagwijdte van het boekje dat men zo juist gelezen heeft onmogelijk met enkele woorden samenvatten. Is zo de zending Van Jozefa niet een evangelie voor de moderne tijden? Is zij niet opnieuw het Evangelie van Jezus Christus? Hij zelf kwam de aloude waarheid, die zijn Kerk met jaloerse zorg bewaart en behoedt, opnieuw verkondigen om de dommelende wereld wakker te schudden, om duizenden en miljoenen opnieuw te waarschuwen dat dood en ondergang dreigen, niet van een derde wereldoorlog, maar van een eeuwig ongeluk, van een onherstelbaar verlies; dat een vonnis dreigt waarvan nooit meer beroep mogelijk of denkbaar zijn zal. Jozefa wordt ondanks al haar persoonlijke ellende de door God uitverkoren heraut, die ons in deze laatste tijden met aandrang terugvoert naar de beoefening van de godsvrucht tot Jezus H. Hart.

Zij is de heraut, die de goddelijke opdracht ontving om de mensen weer te doen geloven in Gods onmetelijke goedheid. Quoniam bonus, quoniam in saeculum misericordia ejus. ,,Want Hij is goed, want eeuwig is zijn barmhartigheid.'' Wij kennen een andere ,,heraut'', die ook een goddelijke opdracht ontving en wonderbare onthullingen deed, maar deze heeft blijkbaar een andere Heere ontmoet, die het minder over Zijn H. Hart had, dan over een gezonde Evolutie van Zijn aardse kinderen en daarvan getuigt het hele werk van deze heraut JOZEF RULOF! In zijn trilogie ,,Maskers en Mensen'', geeft hij zijn antwoord aan Jozefa Menendez -- aan al diegenen een waarschuwing, die in haar voetstappen willen treden: ,,Toen dacht ik aan alle mensen, die voor mij aan de ren zijn gegaan om deze rotte mensheid uit de modder te trekken. Ik dacht aan al die mensen, die hun heiligheden hebben gekregen en voor goddelijke zaken hebben verkocht of zomaar hadden uitgedeeld, waardoor ze nog heiliger waren, maar een heiligheid, die voor mij niets te betekenen heeft, omdat ook het leven op aarde eisen stelt. Iemand ziet ,,Maria'' en haar beeld is ontzagwekkend, geweldig! Als het waar is, heb ik er heilige eerbied voor, maar ik vraag me nu af: zag die vrouw niet slechts het licht van een straatlantaarn door een spleetje? Kwam bij haar verschijning niet een straatlantaarn te pas? Was het allemaal puur Goddelijk licht? Was er niets bij van haarzelf? Zie je, het bracht mij tot diep nadenken. En toen ik in gedachten een gesprek voerde met die mens, stond ik voor een gek. Ik zag een godsdienstwaanzinnige; aan deze heiligheid is het kind gestorven. Deze geheel normale ziel lost volkomen op, in drek, in modder, waar geen nuchter mens mee te maken wil hebben, omdat het daarin stinkt!'' Tot zover Jozef Rulof. Jozefa heeft opgehouden te leven. Zij ligt uitgestrekt, het hoofd een weinig achterover, met de ogen half gesloten, nog een pijnlijke uitdrukking op haar gelaat. Het was de 29e december 1923. 
B. van Baden. 










Google Analytics Alternative